De historicus die zijn vak breed maakte

Foto ANP

In de jaren 80 stuitten eerstejaars geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam op een kalende man met een schorre stem, die de rest van het jaar ‘u’ en ‘meneer’ of ‘mevrouw’ zou blijven zeggen. Hij zei voor de zaal: „Kijk eens goed naar degenen links en rechts van u; grote kans dat u ze na dit jaar niet terugziet.”

Die man was Herman Beliën (1946), geschiedkundige alleseter die schrik aanjoeg met zijn vlijmscherpe opmerkingen en liefde voor het vak bijbracht met zijn vurige voordracht. De ideale man voor het eerste jaar. Niet alleen doordat hij met zijn sarcasme de aantallen uitdunde, maar vooral omdat hij van scholieren studenten maakte. Hij deelde teksten uit en vroeg wat bij zijn studenten opkwam. Ernstige vragen vlogen door de zaal, behalve de meest relevante: „Is het wáár wat hier staat?”

Hij kwam in 1964 als student aan de UvA („achttien eerstejaars, tegen wie meteen werd gezegd dat ze sowieso geen werk zouden vinden”, zei hij in het blad Eindeloos). Na zijn studie werd hij docent oude geschiedenis, maar hij verbreedde zich snel binnen de faculteit. Nieuwe geschiedenis, Amerikanistiek en ten slotte publieksgeschiedenis, waar je „het presenteren van historisch onderzoek aan een breed publiek” leert.

Dat was hem op het lijf geschreven. Zijn interesse was breed – van heksenvervolging tot stadsgeschiedenis – en zijn gemoed onrustig, zegt collega en vriend Fik Meijer, met wie hij Een geschiedenis van de Oude Wereld schreef. Te onrustig om te promoveren, dat zat hem dwars. „Ik beschouw mezelf als academicus, maar wel een met een vlek”, zei hij in het Eindeloos-interview.

Geen academische academicus dus, wel een productieve. Hij schreef reisgidsen, boeken en het bestsellertje De Nederlandse geschiedenis in een notendop (met toenmalige partner Monique van Hoogstraten). Met Ineke van Tol organiseerde hij academische reizen, hij leidde zelf de excursies. Volgens vriend en veelvuldig meereizer Bill Brouwer wisselde hij sappige anekdotes af met sneren tegen al te bijdehante reizigers.

Liefst, zegt Meijer, maakte hij televisie, zoals de serie Bestaat Nederland wel? uit 1999. Andere historici waren koeler, merkte Beliën. „Een collega zei: ‘Herman, ik hoor dat je op de televisie bent.’ Alsof hij naar een pleepot zat te kijken.”

In augustus begon hij zich moe te voelen, tijdens het wandelen, na het tennissen. Onderzoek bracht acute leukemie aan het licht. Hij belde Fik Meijer en verpakte het nieuws in zijn kenmerkende spot: „Ik win nooit de hoofdprijs, maar nu dus wel.” Herman Beliën stierf op vrijdag 13 september.

Bas Blokker