Biënnale zonder Ai Weiwei

Joyce Roodnat

‘U bent vier dagen te laat, signora’’, zegt de man. Hij lacht me een beetje uit en legt het volgende ding (ik kijk wat ik kan maar ik zie echt niet wat het is) in een van de gecapitonneerde houten kisten die op een rij staan tussen kerk en kade. Op het etiket lees ik ‘www.ArtTransport.co.uk’ en ‘Ai Weiwei 2013’. De installatie van deze Chinese kunstenaar, wereldster en onverschrokken dissident, was een hoogtepunt van de Biënnale van Venetië. En nu is het weg. Dat krijg je als je niet meteen in de zomer naar de Biënnale gaat. De gigamanifestatie die om het jaar Venetië overwoekert, sluit in november, niettemin wordt er nu al werk ontmanteld.

Maar er zijn ook voordelen. Wachttijden van twee à drie uur? Nu niet meer. Er is zat publiek, maar het bejubelde Deense paviljoen loop ik zo binnen. In een krachtige video-installatie van Jesper Just zie ik een shabby man door Parijs dwalen. Parijs? Onkruid onder de Eiffeltoren? Het blijkt een versleten replica van Parijs te zijn, in China. Het gebrek aan houvast van de immigrant wordt voelbaar.

Dé hype was in juni de Biënnale-expositie When Attitudes Become Form. Lange rijen bij de kassa, ik hoorde zelfs van geduw en getrek.

Nu niet.

Ik koop een kaartje, ga het palazzo in en zie een re-enactment, een kopie, van een legendarische expositie in 1969 in Bern – revolutionair omdat de conceptuele kunstenaars volstonden met het aanduiden van hun ideeën, esthetiek en betekenis werden bij het grof vuil gezet. Die opwinding is verdwenen en ik zie vooral dikdoenerij. Weinig van deze kunst beklijft. De combinatie van de vloer van Carl Andre en de wandschildering van Sol LeWitt is nog steeds spannend, want mooi. Maar ‘Aschehaufen III’ van Reiner Ruthenbeck is, eh, inderdaad, een grote hoop as. Ik zie meer van dat en ik denk: ja jongens, zo kom je er niet mee weg.

Ik kan het niet helpen, ik ben een bezoeker van nu. En ik stel vast dat curator Harald Szeemann destijds nul vrouwen om een bijdrage vroeg, hoewel iemand als Yoko Ono actief was, perfect in zijn opzet had gepast en de krachtpatserij had gerelativeerd. Geen kwaaie wil, vermoed ik, aan vrouwen werd gewoon niet gedacht. Maar zoiets reduceert deze manifestatie tot iets dat voorbij is. Voltooid verleden tijd.

Nu zou je dat kunnen zeggen van de complete Biënnale. In de Giardini, het stadspark van Venetië en het hart van de Biënnale, viert gedateerd chauvinisme hoogtij. Sinds 1895 laten, naar voorbeeld van de toen immens populaire wereldtentoonstellingen, de verschillende landen hun paviljoens inrichten door de kunstenaar met wie zij het liefst voor de dag komen. Niet bij wijze van wedstrijd, maar bij wijze van kijk-ons-nou-eens.

Inmiddels is het allang niet chic meer om een beeldend kunstenaar in te lijven als landgenoot – dat willen ze niet, ze voelen zich wereldburgers. Tenzij ze een politieke kunstenaar zijn, dan zijn ze ineens wel een Rus, een Griek, een Chinees, maar dan klagen ze hun eigen land juist aan.

Dus is de Biënnale achterhaald. En toch is hij logisch. Want hij ontrolt zich in Venetië en dat is de stad van Casanova: schrijver en denker, maar ook meeslepend verleider annex gezegend opschepper. Precies waar de Biënnale voor staat.

En het werkt. Ik word warm als ik zie hoe gul de Amerikanen uitpakken met de geestverruimende chaos van Sarah Sze. En ik ben jaloers op Frankrijk met zijn hypnotiserende project ‘Ravel Ravel Unravel’. Het is een installatie over woede en fantoompijn, opgetrokken rond het pianoconcert voor linkerhand dat Maurice Ravel componeerde voor de pianist Paul (broer van Ludwig) Wittgenstein die alleen nog bekend is omdat hij zijn rechterarm op het slagveld verloor.

Maar wij hebben Mark Manders. In ons paviljoen is het relatief druk, maar niet zo dat ik niet rustig kan bekijken hoe Manders met sculpturen oproept wat een schilder doet. Wat het perspectief inhoudt, maakt hij driedimensionaal zichtbaar met een kop, een romp, één been, een tafel en gespannen draden. Hij toont de keuzes die een schilder maakt, de dingen die hij weglaat, de details die hij benadrukt, de gezegende verwaarlozing van de grote greep. Hé, daar ligt een gestileerde vos van klei, op zijn buik zit een muis vast gesnoerd. Achter zijn broekriem, dus eigenlijk in zijn maag, ware het niet dat de kunstenaar de opgeslokte muis laat zien. Een denk-beeldje. En nog mooi ook.