‘Zelfs een rottende krokodillenpoot heeft iets moois’

is gefascineerd door anatomie en beweging. In de olifantenvoet vond hij een zesde teen.

Hutchinson is hoogleraar evolutionaire biomechanica aan het Royal Veterinary College in Groot-Brittannië. Hij houdt een blog bij over de ledematen in zijn vriezer: whatsinjohnsfreezer.com. Foto Justin Griffiths-Williams

De staart van een cheeta, de voetzool van een olifant of de poten van een komodovaraan. Soms weet John Hutchinson zelf even niet meer wat hij in zijn vriezer heeft liggen.

Hutchinson is een grote, kalme man, draagt twee oorringetjes en een bodywarmer. „Waarom kan een neushoorn springen en galopperen, en een olifant niet?”, vraagt hij hardop. Hij houdt eerst een kort, robuust dijbeen van een neushoorn omhoog. Dan het veel rankere dijbeen van een olifant. „Dit raadsel is nog niet opgelost, maar het antwoord ligt ergens in hun anatomie.”

Hutchinson is een moderne anatoom. Hij snijdt en ontleedt niet alleen, hij licht ook ledematen en levende dieren door met CT-scanners en röntgenapparaten en maakt digitale anatomische reconstructies van hedendaagse en uitgestorven diersoorten. Anderhalf jaar geleden toonde Hutchinson het bestaan aan van de ‘zesde teen’ in de olifantenvoet, nadat wetenschappers daar 300 jaar over hadden gedebatteerd. De zesde teen is een aangepast sesambeentje, dat het gewicht van het olifantenlijf over de voet helpt verdelen.

We zijn op de campus van het Royal Veterinary College, in het gehucht Potters Bar, even buiten Londen. Hier staan de snijzaal en het laboratorium waarin Hutchinson werkt, tussen het paardenziekenhuis en appartementen voor studenten.

„Welkom in mijn bevroren dierentuin”, zegt Hutchinson als hij de gekoelde container naast het lab opent. Koude mist rolt naar buiten, de geur van een bedorven dierenwinkel komt ons tegemoet. Overal liggen plastic zakken. Paarden- en emoepoten steken uit het plastic, olifantenvoeten staan her en der als vlezige pedaalemmers.

Hoe kom je aan al deze ledematen?

„Dierentuinen bellen me meteen op als er een olifant, neushoorn of giraffe sterft. Dat blijft een moment van paniek. Binnen korte tijd moet ik dan vervoer, personeel en een vriezer regelen. Maar ik zeg nooit nee. Ik ben een obsessieve verzamelaar. Zelfs al kan ik het materiaal niet meteen gebruiken, dan sla ik het hier op voor een regenachtige dag. Zo’n collectie bouwt op zichzelf voort. Als er meer krokodillen binnenkomen, verschuiven we ons onderzoek naar krokodillen.”

Wat ziet een anatoom als hij voor zijn plezier naar de dierentuin gaat?

„Door mijn tijd bij het Royal Veterinary College ben ik meer op de gezondheid van dierentuindieren gaan letten. Heeft een dier genoeg ruimte? Vertoont hij stereotype gedrag?

„Bij olifanten kijk ik naar de voeten. Daar is vaak waar de problemen beginnen. Als één voet door artritis zeer doet, gaat een olifant steunen op zijn andere poot. Al zijn massa verschuift op zijn andere voet. Niet veel later doen beide poten zeer. De olifant gaat meer liggen en krijgt hartproblemen. En dan is het dus al te laat.”

Waarom anatomie? Is dat niet iets wat biologiestudenten moeten doen, voordat ze spannendere vakken mogen kiezen?

„Je leert zo veel van het opensnijden van een dier! Ik ben een visuele denker. Ik vond anatomie al prachtig en uitdagend toen ik als tienjarig jochie de dode kikkers op mijn grootvaders boerderij ontleedde.

„Als tiener raakte die fascinatie op de achtergrond. Ik interesseerde me vooral voor meisjes en bier. Ik werd een enorme metalhead. Pas op de universiteit herontdekte ik evolutie, in een college over wetenschapsgeschiedenis. Ik raakte verslaafd aan Darwin en werd verliefd op paleontologie. Het hielp waarschijnlijk ook dat Jurassic Park rond die tijd uitkwam.”

Maar anatomie is uit de mode.

„Kijk, zelfs een stinkende, rottende krokodillenpoot heeft iets moois. Je zult er dezelfde spieren in vinden als in een struisvogelpoot. Die patronen, die gedeelde evolutionaire geschiedenis, die zijn het sterkst zichtbaar in de anatomie. Anatomie is de spil waar een dier om draait.”

„Het vreemde is dat anatomie nu minder op waarde wordt geschat, terwijl het vak sterker is dan ooit. We doen voortdurend ontdekkingen. Nieuwe technologieën maken het mogelijk nieuwe vragen te stellen en beantwoorden. Met CT-scanners kunnen we diep binnen in fossielen en ledematen kijken.

„Tegelijkertijd wordt anatomie minder vaak gedoceerd dan vroeger. Ik denk oprecht dat er een gebrek is aan goede anatomen. Een deel van het probleem is dat het woord anatomie een stoffig beeld oproept. De grootste namen in de geschiedenis van de wetenschap bedreven anatomie. Charles Darwin. Richard Owen. Daardoor kan het lijken alsof alles al is opgelost.”

Dat is niet zo?

Stellig: „Anatomie is nooit klaar. Er zijn zó veel diersoorten en evenzoveel verschillende anatomieën. Met een beetje overmoed durf ik te zeggen dat anatomie een veld is dat niet sterven kan.

„Maar we moeten de hand in eigen boezem steken. We maken te weinig reclame voor ons vakgebied. Sommigen schamen zich om zichzelf anatoom te noemen. Zij noemen zichzelf biomechanicus.

„Ik heb dat zelf ook ervaren. De passie voor anatomie was er altijd, maar ik voelde me minderwaardig aan de onderzoekers om mij heen die bezig waren met experimenten en vergelijkingen. Ik dacht dat ik dat ook moest doen, dat ik modellen moest ontwikkelen. Gelukkig kwam ik erachter dat voordat ik je een fatsoenlijk model kan maken, eerst nog fundamenteel anatomisch onderzoek nodig is.

„Neem de olifant. Voor het onderzoek aan de zesde teen van de olifant las ik alle acht artikelen over de anatomie van de olifant. Allemaal prutswerk. De wetenschap was slecht, de illustraties waren slecht. Dit was driehonderd jaar na de eerste beschrijving van een olifant, maar blijkbaar bestond er geen betrouwbare bron voor de anatomie van het beest. Ik was geschokt.”

Wat vinden andere biologen van je vak?

„Ze zijn zich niet altijd bewust van wat de anatomie te bieden heeft. Het probleem van paleontologen is bijvoorbeeld dat ze denken dat ze alles af kunnen leiden uit fossielen, alsof ze tegelijkertijd experts zijn in voortbeweging, gedrag en ecologie. Maar dat zijn ze niet. Ik denk dat het beter is om eerlijk te zijn over wat we niet weten, dan om een mooi verhaal te verzinnen.”

Het is vier uur ‘s middags, Hutchinson excuseert zich. Hij moet zijn dochter van zeven jaar oud van school ophalen.

Weet uw dochter wat u voor werk doet?

„Ze weet dat ik een wetenschapper ben en dat ik onderzoek doe naar olifanten, giraffes en dinosauriërs. Ik probeer haar langzaam over evolutie te leren, maar ze stelt verder weinig vragen over wat ik doe. Dat ik dieren ontleed, dat houd ik nog even bij haar weg.”

    • Lucas Brouwers