Vunzig vuil vod

Twee weken geleden las ik dat timmermannen verzetsgedichten hadden gevonden in het Salmhuisje in Artis. Verzetspoëzie, verstopt tussen de dakbalken van een Amsterdamse dierentuin: daar sloeg mijn fantasie van op hol. Ik zocht op internet naar plaatjes van de vondst en zag – precies zoals ik het me had voorgesteld – vergeelde velletjes met getypte letters. Eén van de gedichten heette ‘Uit het diepst van myn hart’. Het viel me op. Een strofe:

Ik snak naar een echte Hollandse krant,

Die haar mening weer ronduit kan schryven.

Ik snak weer naar daden in Hollandse trant,

Ik die Hollander ben en wil blyven.......

De laatste regels ervan luiden: ‘Ik snak naar dien dag, dat hy kome heel gauw: / Ik snak naar een land vol van Rood, Wit en Blauw.’ Had hij of zij die dit gedicht verstopte deze dag nog meegemaakt?

Ik mijmerde er even over en vergat het vervolgens weer. Maar afgelopen weekend waren de gedichten weer in het nieuws. Het Verzetsmuseum had onderzoek gedaan en wat bleek? De gedichten waren al bekend! Het zou hier gaan om overgetypte gedichten. Teleurstelling alom.

Ik was verbaasd dat dit nieuws was. Ik dacht dat ik een romanticus was, maar het was zelfs nog geen moment in mij opgekomen dat er in het Salmhuisje in Artis een snakkende dichter ondergedoken had gezeten wiens kroonjuweel door de timmermannen was ontdekt. Wel dat er tijdens de oorlog een Amsterdammer – een Artismedewerker wellicht – was geweest die de moed had gehad om met gevaar voor eigen leven dit gedicht over te nemen en tussen de balken te verstoppen. Zo kon hij het later nog eens kon lezen, of voorlezen misschien aan een van de onderduikers die er in Artis verscholen zaten. Of aan de olifanten, je weet het niet. Ik denk dat iedereen die hongerig, verdrietig, bang of wanhopig was, af en toe wel een woedende strofe als deze kon gebruiken:

Ik snak naar de dag, dat de laatste Germaan,

Zonder Sieg, zonder Heil, naar zijn Heimat zal gaan.

En zijn smerige vlag, die ons land thans besmeurt,

Als een vunzig vuil vod door de goot wordt gesleurd.

Ineens herinnerde ik me dat de uitgeverij waarvoor ik werk ooit een bundel met verzetspoëzie had uitgegeven. Ik pakte Nooit heb ik wat ons werd ontnomen zo bitter, bitter liefgehad er even bij. En verdomd: op pagina 125 staat hetzelfde gedicht. Er wordt zelfs bij vermeld aan wie dit gedicht mogelijk wordt toegeschreven. Hoewel, er staat niet één naam, er staan er vijf: Alex de Jong, H. Van Oranje, Marten B. Osinga, Van Tol en J.J.G. Zwanniken. Valt er heden ten dage al weinig brood te verdienen met poëzie, aan verzetsgedichten was uiteraard al helemaal weinig eer te behalen, tenzij die eer je liever was dan je leven.

Het nieuws zat hem wat mij betreft dan ook helemaal niet in de omstreden authenticiteit van de vondst. Twee weken geleden niet en nu ook niet. Maar dat de woorden van de onbekende dichter zeventig jaar overleven en weer opduiken op een plek waar alleen de dieren niet in vrijheid leven, dat is nieuwswaardig genoeg om ze weer even over te typen, in een echte Hollandse krant.