‘Opera is studie in eenzaamheid’

Barrie Kosky regisseert ‘Armide’ bij De Nederlandse Opera. „Het gaat over onmogelijke liefde.”

Foto Roger Cremers

„Opera is een krankzinnige, onmogelijke, wonderbaarlijke kunstvorm”, zegt de snel en enthousiast sprekende regisseur Barrie Kosky. „Daarom ben ik er zo dol op. Het is een droomwereld met vele lagen. Opera toegankelijker maken, daar heeft iedereen het over. Natuurlijk moet je zorgen dat kaarten betaalbaar worden en blijven. Maar pogingen om van opera een soort realistische tv-show te maken, zijn ridicuul. Die tweedimensionale bioscoopvertoningen van opera’s uit New York? Afschuwelijk, dat smaakt als McDonald’s en verwoest de lokale operacultuur.”

In Berlijn heeft de Australische regisseur zijn naam rap gevestigd. Als nieuwe intendant van de Komische Oper wist hij het publieksbereik het afgelopen seizoen te vergroten. Monteverdi-marathons wisselt hij af met uitzinnige producties van operettes en oude musicals als Kiss me, Kate.

Bij De Nederlandse Opera debuteert hij nu met Armide (1777) van Christoph Willibald Gluck. Door collega’s van die productie wordt Kosky geprezen om zijn no-nonsensebeleid. „Sommige regisseurs zijn net sjamatnen”, weet dirigent Ivor Bolton, „maar Kosky is een degelijke vakman. Zijn regieconcept is muzikaal en ook visueel logisch en aantrekkelijk.” Een hobbelig landschap met een boompje, veel meer decor heeft Kosky voor Armide schijnbaar niet nodig.

„Het gaat hem om het innerlijke drama”, zegt de Canadese sopraan Karina Gauvin, die ook debuteert bij DNO en de loodzware titelrol zal zingen. „Zijn aanpak is naturel. Fysiek is hij gedetailleerd: hij vond mijn handen te delicaat, als van een prinsesje. Die moet ik krachtiger gebruiken.”

Kosky (46) maakt met zijn gepeperde uitspraken niet alleen vrienden. „Luther is Duits staatsvijand nummer 1”, zei hij in Der Tagesspiegel, „want hij was antisemiet en wilde de humor onderdrukken.” Waar het Kosky vooral om te doen was, zegt hij nu, is de traditionele Duitse scheiding tussen ‘E en O’, tussen ‘ernstige’ en ‘onderhoudende’ kunst bekritiseren. „Waarom is Johann Strauss’ Die Fledermaus minder dan Wagners Parsifal?”

Met Armide wordt een reeks van Gluck-opera’s bij DNO afgesloten, die je elders maar zelden hoort. „Händel is gebruikersvriendelijker dan Gluck”, zegt Kosky. „Glucks muziek is meer uitgebeend. Gluck is in zijn compactheid wonderschoon, de psychologie van de getormenteerde personages diepgravend. En daarmee is Gluck meteen ook de belangrijkste wegbereider van Richard Wagner.”

Neem de titelrol: de Syrische tovenares Armide wordt onmogelijk verliefd op een van haar christelijke tegenstanders. Hij kiest voor zijn eigen kamp, zij blijft aan het slot alleen en verbitterd achter. „Ik mijd het theatraal spektakel niet. Maar ondanks alle tovenarij is de opera vooral een studie naar eenzaamheid. Magie is liefde, liefde is eenzaamheid, zo zie ik het.”

Armide speelt zich af in Damascus in oorlogstijd, ten tijde van de kruistochten. Kosky wil elke directe verwijzing naar de huidige burgeroorlog vermijden. „Dat wordt conceptueel behang. Dat vind ik aanstootgevend. Dat Armide in Damascus speelt, is niet relevant. Het gaat over abstracties als liefde en haat. Het is een one-woman-show: een vrouw die de haat afzweert, en daarna gedoemd is voor eeuwig onmogelijk verliefd te zijn.”

Gluck: ‘Armide’. De Nederlandse Opera en Nederlands Kamerorkest o.l.v. Ivor Bolton. Regie: Barrie Kosky. Muziektheater, Amsterdam, 6-27/10. Inl: dno.nl

    • Floris Don