Onze hang naar het wonderbaarlijke

Welke theorieën over de vorm van de aarde deden ooit de ronde? Waar de een er een schijf van ijs in zag, wist de ander zeker dat de aarde een holle peer was. Nazi’s, sekteleiders en sciencefictionschrijvers deden er hun voordeel mee.

God meet de wereld op met een passer, in ‘Bible moralisée’ (ca. 1250)

De aarde is een holle bol en wij leven in het binnenste. De westerse beschaving is afkomstig van de Noordpool en moet daarnaar terugkeren. Ons zonnestelsel is gevormd doordat een verzengend heet hemellichaam botste op een immense klont ijs. Atlantis was het oervaderland van het Arische ras. De Heilige Graal is vanuit Jeruzalem naar de Pyreneeën gestuurd, en wordt daar bewaard in de onderaardse kelders van een oud katharenkasteel.

Geen theorie was de nationaal-socialistische wetenschap te gek, zo blijkt uit Umberto Eco’s Geschiedenis van imaginaire landen en plaatsen. Tussen 1925 en 1945 putten filosofen, taalkundigen, antropologen en onderzoekers van het Duitse voorouderlijk erfgoed zich uit in de meest fantastische Welt-Lehren, daartoe aangemoedigd door partij-ideoloog Alfred Rosenberg en SS-chef Heinrich Himmler. Katharen, druïden, Tempeliers, ridders van de Ronde Tafel, blauwogige ariërs, Germaanse helden – allemaal werden ze op een hoop gegooid en verbonden in één groot netwerk van quasiwetenschappelijke kosmologieën. Wie dacht dat de films Raiders of the Lost Ark en Indiana Jones and the Last Crusade – over de jacht van de nazi’s op de Arke des Verbonds en de Heilige Graal – ontsproten waren aan de fantasie van Hollywood-scenaristen, wordt hardhandig wakker geschud in de bijna 500 pagina’s van Eco’s non-fictieboek.

Die 500 bladzijden bestaan voor meer dan de helft uit illustraties, de ene nog spectaculairder dan de andere; en laten we daar meteen aan toevoegen dat het in De geschiedenis van imaginaire landen en plaatsen over veel meer dan nazi’s gaat. Eco, die eerder rijk geïllustreerde essays-inclusief-bloemlezing schreef over de schoonheid (2004), de lelijkheid (2007) en de kunst van het opsommen (2009), behandelt in zijn nieuwe boek alle ‘landen en plekken die aanleiding hebben gegeven tot verdichtsels, utopieën en hersenschimmen omdat veel mensen daadwerkelijk geloofden dat ze bestonden of ooit ergens hadden bestaan.’ Van de Tempel van Salomon en de Zeven Wereldwonderen tot het Zuidland en het middelpunt der aarde. Dat schakelt een belangrijke categorie imaginaire plaatsen uit die door Eco in een kort laatste hoofdstuk worden aangestipt: die uit de literatuur, zoals het geheimzinnige eiland van Jules Verne, het Xanadu van Coleridge (ook bekend van Olivia Newton-John), het Wonderland van Alice en het Zweinstein van Harry Potter. Nadere bespiegelingen daaromtrent komen ongetwijfeld terecht in een volgend boek van de 81-jarige veelschrijver.

Eco’s originele aanpak blijkt al meteen uit het eerste hoofdstuk, waarin hij zoveel mogelijk theorieën over de vorm van de aarde en de ligging van de continenten uiteenzet. Aan de hand van schitterende reproducties van kaarten en lange fragmenten van filosofen en geschiedschrijvers laat hij zien dat middeleeuwse cartografen ‘geen wetenschappelijk oogmerk hadden, maar tegemoetkwamen aan de hang naar het wonderbaarlijke van het publiek’, en dat hun traditie om monsters en wilde dieren in terra incognita af te beelden (‘Hic sunt leones’) tegenwoordig in ere wordt gehouden door sciencefictionschrijvers.

Sekteleider

Eco maakt ook korte metten met het idee dat iedereen in de Middeleeuwen dacht dat de aarde plat was en illustreert dat niet alleen met de mening van een tiental scribenten, maar ook met een Bijbelillustratie waarop God de bolvormige aarde opmeet met een passer. Daar staat dan weer tegenover dat Columbus niet dacht dat de aarde rond was maar peervormig. En dat nog in de 20ste eeuw een Amerikaanse sekteleider, W.G. Voliva, zijn geloofsgenoten ervan overtuigde dat de aarde een schijf was met de Noordpool in het midden en een muur van ijs aan de rand. Wat zich aan de andere kant van die rand bevond, achtte hij overbodige informatie.

Eco grossiert in vreemde snuiters. Neem de gevierde oorlogsheld J. Cleves Symmes, die in 1818 de leden van het Amerikaanse Congres een brief schreef met de mededeling dat de aarde van binnen hol en bewoonbaar was en dat hij in ruil voor heerschappij over deze nieuwe wereld bereid was om via een scheur in de Noordpool op kolonisatie uit te gaan. (‘De brief ging vergezeld van een bewijs van geestelijke gezondheid,’ voegt Eco daaraan toe.)

En wat te denken van de Franse fantasten Pierre Plantard en Gérard de Sède, die in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw een enorme mystificatie rondom de Graal en het voortleven (en voortplanten) van Jezus opzetten, en zo de basis legden voor de complottheorieën waar The Da Vinci Code op drijft? Eco zet Dan Brown als een van de allervreemdste snuiters neer omdat de Amerikaan weliswaar zijn bestseller als roman uitbracht maar vervolgens overal heeft rondgebazuind dat zijn boek voor 99 procent waar is.

In een boek dat systematisch, van de Oudheid tot onze eigen tijd, de geschiedenis van imaginaire plaatsen ontrafelt, is genoeg ruimte voor Eco’s eigen stokpaardjes; per slot van rekening wemelt het ook in zijn romans van de mythes, legendes, fictieve geschiedenissen en samenzweringstheorieën. Wie Baudolino (2000) las, zal zich de tocht van de hoofdpersoon naar het wonderrijk van de priester-koning Johannes herinneren; de sterke verhalen die hij in die ‘autobiografie’ vertelde blijken allemaal te stoelen op de mythische reisverslagen die over deze ‘Presbyter Johannes’ zijn overgeleverd. Vele van de uitzinnige theorieën uit De geschiedenis van imaginaire landen en plaatsen vonden eerder onderdak in De slinger van Foucault (1988) en De begraafplaats van Praag (2010). De titel van De mysterieuze vlam van koningin Loana (2004) blijkt te verwijzen naar een stripversie van de Atlantismythe. En het gruwelijke verhaal hoe zeelieden in de 17de eeuw van een stervende hond gebruik meenden te kunnen maken om de lengtegraad van hun positie te bepalen, speelt een rol in Het eiland van de vorige dag (1994).

Illustraties

Eco’s boek is op vele manieren te lezen. Een derde ervan is gevuld met fragmenten uit de wereldliteratuur, goed gekozen en afkomstig uit alle tijden en alle culturen – je wordt ondergedompeld in antieke filosofie, middeleeuwse wonderreizen, 19de-eeuwse avonturenromans, moderne mystiek. En met de bestudering van de illustraties kun je al een paar uur zoet zijn. Op pagina 16-17 stuit je op een schitterende wereldkaart uit de Apocalyps van Saint-Sever (1086), die grappig genoeg gebaseerd blijkt op de beroemde ‘Peutingerkaart’ van het Romeinse wegennet. Twee hoofdstukken verder zie je een verbeelding van de Kolossos van Rhodos door de 17de-eeuwse schilder Louis de Caullery die zó door Dalí geschilderd had kunnen zijn. In het hoofdstuk over het aardse paradijs is een schitterend paneel van Jeroen Bosch gereproduceerd (Visioen uit het hiernamaals), waarop de schilder zich waagt aan een inmiddels tot cliché geworden bijna-doodervaring: de tunnel naar het licht. Er is een prachtige kleurenillustratie van de ondergang van Atlantis uit Vernes Twintigduizend mijlen onder zee; een adembenemende Rhône-gletscher (1795) van Johann Heinrich Wüst; een dozijn jeugdsentiment opwekkende gravures van Gustave Doré; en veel en veel meer. Alles is gedrukt op puntgaaf glanspapier en voorzien van een beeldschone typografie waaraan zelfs de zet- en spelfoutjes weinig af kunnen doen.

Misschien is niet alles goud wat er blinkt. Zo maakt Eco zich er soms makkelijk vanaf en zijn de inleidende essays over Luilekkerland en het Paradijs wat plichtmatig en opsommerig; dat is beter gedaan in Dromen van Cocagne van Herman Pleij en de Geïllustreerde atlas van het hiernamaals van Derksen, Van Mousch en Mijwaard. Ook ontbreekt een verklarende woordenlijst (wat is een archimandriet, wat synarchie?) en is het jammer dat de vertalers van de gebloemleesde fragmenten nergens genoemd worden.

Toch is De geschiedenis van imaginaire landen en plaatsen een boek zoals boeken bedoeld zijn; een elegant cadeau dat leerzaam én vermakelijk is. Een goudmijn bovendien voor scenaristen van avonturenfilms en ontwerpers van fantasy-games à la Tomb Raider en Assassin’s Creed. De burcht Alamut van de in het laatste spel optredende Assassijnen, moordmachines uit de islamitische Middeleeuwen, heeft trouwens een apart hoofdstuk in Eco’s Geschiedenis gekregen.