Onderworpen aan de grillen van het lot

Herinneringen is een lichte roman met een waas van melancholie over de obsessie met ouderdom en dood. Wat het gelaagde geheugen betreft komt Proust in herinnering.

David Foenkinos in 2009 Foto Hannah Assouline/Opale

David Foenkinos is van 1974, maar wie alleen zijn romans kent zou eerder schatten dat hij een eeuw eerder geboren is, bijvoorbeeld in hetzelfde jaar als Albert Cohen (1895), Marcel Proust (1871), of iets later als generatiegenoot van Patrick Modiano (1945).

De bebrilde Franse auteur met zijn donkere krullen is, anders dan zijn beroemde voorgangers, sinds het enorme succes van zijn verfilmde roman La délicatesse een publiekslieveling. Net als de Zwitser Albert Cohen, schrijver van de cultroman Belle du seigneur, analyseert Foenkinos minutieus de finesses van de liefde en legt hij iedere emotie onder de microscoop. De soms wat hoogdravende en melancholieke gedachten van zijn verteller onderbreekt hij, net als Cohen, met burleske situaties en geestige opmerkingen.

Herinneringen heet zijn nu vertaalde roman en de manier waarop hij met dit thema speelt, maakt van hem een 21ste- eeuwse fan van Proust. Maar Foenkinos’ stijl spiegelt zich aan die van Modiano, de schrijver die steeds weer nieuwe, onbetekenende levens aan de vergetelheid ontrukt.

Waar Modiano nauwgezet de sporen volgt van voorgoed verdwenen, veelal vage figuren met een duister verleden, draait het in Foenkinos’ roman om mensen die er ineens vandoor gaan, ze vluchten voor een situatie die ze niet langer verdragen. Zijn moeder gaat, meteen na haar pensioen, lange reizen maken om de aanblik niet te hoeven verdragen van haar vastgeroeste, thuis zittende echtgenoot. Zijn oma neemt de benen uit een bejaardentehuis, waar ze helemaal niet naar toe wilde. Zijn geliefde verdwijnt twee keer, de eerste keer na hun eerste week samen, de tweede keer acht jaar later, met medeneming van hun zoon.

Over het hele boek hangt een waas van melancholie, een sluier van verlies, een romantisch soort verlangen naar wat voorbij is. Zou het die toon zijn die de honderdduizenden lezers van Foenkinos aanspreekt? Zijn zijn herinneringen aan het poppentheater in het Jardin de Luxembourg, waar hij naar toe ging aan de hand van zijn grootvader, van de universele soort? Of is het de nostalgie van het door hem geciteerde chanson van Serge Gainsbourg, ‘je suis venu te dire que je m’en vais’, een van zijn beroemdste liedjes, waarin de zanger aankondigt zijn geliefde te verlaten, ondanks de tranen en de goede herinneringen?

Herinneringen – de verhaallijn wordt er om de paar pagina’s mee onderbroken. Nu weer schrijft Foenkinos een herinnering op van een van zijn personages dan weer van een niet-fictief persoon. We lezen er een van Francis Scott Fitzgerald, van Yasunari Kawabata, van Alois Alzheimer en van Modiano. Van die laatste citeert hij een zin waarin hij de herinnering een krankzinnige mogelijkheid toeschrijft: ‘Ik was nog maar twintig, maar mijn geheugen reikte over mijn geboorte heen’.

Dat lijkt Foenkinos na te streven: een allesomvattend, fijngevoelig, gelaagd geheugen, waarin hij niet alleen zijn eigen herinneringen een plek kan geven, maar ook die van zijn dierbaren, zoals zijn literaire helden, ouders en grootouders. Die laatsten hebben weinig weg van helden, hen overkomt het leven in plaats van dat ze het zelf richting geven. Ze zijn onhandig, onzeker, ze ontmoeten elkaar bij toeval, onderwerpen zich aan de grillen van het lot. Ze leggen zich neer bij het leven zoals zich dat aan hen voordoet en zijn daardoor prototypen van de middelmaat, een woord dat Foenkinos vaak neerschrijft. Uiteindelijk, weten ze, wacht hen allemaal hetzelfde: aftakeling, het verzorgingstehuis, de dood.

Zelden schreef een jonge auteur zo licht over zijn obsessie met de dood en het ouder worden. Bezoekt de verteller zijn grootmoeder in het verzorgingstehuis, dan realiseert hij zich dat hij ‘door zijn voorland’ loopt en kijkt naar de schim van ‘mannen en vrouwen die een leven hadden geleid’. Er hangen ‘prulschilderijen, deprimerende landschappen, ideale gebieden om een lawine van zelfmoorden te ontketenen’.

Ook hangt er een schilderij van een koe, zo lelijk, dat het zijn grootmoeder, een ‘estheet tot op het bot’, aan het lachen maakt. Humor is een van de middelen waarmee Foenkinos zijn demon bestrijdt. En het tweede is de liefde. Oude mensen die elkaar kussen zijn een ‘bolwerk tegen de dood’. Het derde wapen is creativiteit: Foenkinos’ verteller voelt hoe ‘het verleden hem op de schouder tikt als een oude kennis’. En dan schrijft hij eindelijk dat ene boek.

    • Margot Dijkgraaf