Olowska vangt de verleidelijke buitenkant

Olowska: ‘Accidental Collages’ (2004, detail, links) en ‘Crochet coat’ (2010). Foto Stedelijk Museum Amsterdam

Veelzeggend detail: het Stedelijk Museum presenteert de solo Au Bonheur des Dames van de Poolse Paulina Olowska (1976) in drie zalen direct die direct liggen naast de ruimtes waar het werk hangt van de grote modernisten: Mondriaan, Van Doesburg, Malevitsj, El Lissitzky. Of het Stedelijk dat expres heeft gedaan is onduidelijk, maar de combinatie is geweldig.

Precies dat idealisme, die verwachtingen, het streven naar beter dat de modernistische kunstenaars zo hoopvol etaleerden, is Olowska’s grote fascinatie. In haar schilderijen, collages en beelden gaat het voortdurend over manieren waarop mensen, zowel aan het begin van de vorige eeuw, tijdens het communisme als nu, streefden naar ‘beter leven’: bijvoorbeeld door zich te wentelen in de nieuwe beeldtaal van het modernisme. Maar Olowska geeft meer voorbeelden: ze laat bijvoorbeeld zien hoe groepen kunstenaars (De Stijl, de neo-constructivisten) elkaar in salons en bijeenkomsten op de schouders timmerden en opzweepten en toont hoe vrouwen in diezelfde tijd begonnen te worstelen met de verlokkingen van het consumentisme – de collages van luxe warenhuizen, van winkelende vrouwen, de mooie hoeden en wufte jurken. Niet voor niets noemde Olowska haar tentoonstelling naar een roman van Emile Zola, die speelt in een (op dat moment nog heel modern) warenhuis. De paradijselijke verlokking van zo’n warenhuis interesseert Olowska ongetwijfeld niet alleen omdat het idealisme is van een veel alledaagsere soort, maar ook omdat het een soort paradijs is dat ze in het Polen van haar jeugd alleen maar van een afstandje kende. En juist als je ergens niet bij kunt, wordt het alleen maar aantrekkelijker – geweldig is bijvoorbeeld de vitrine met foto’s van hippe westerse (merk)truien die in Polen als breipatroon werden verspreid zodat Poolse moeders ze voor hun naar moderniteit hunkerende dochters konden namaken.

Zelf is Olowska het onbekommerde idealisme onmiskenbaar voorbij – zij is van drie generaties, heel veel oorlogen, crises en instortende flatgebouwen later. Je zou daardoor kunnen denken dat ze zoekende is, dat haar werk een verslag is van een zoektocht waarbij ze laveert tussen het begrijpelijke streven naar het aardse consumentenparadijs en het kapitalisme dat daar ongegeneerd gebruik van maakt. Maar hoe langer je over haar expositie loopt, hoe duidelijker het wordt dat dit dilemma Olowska zelf nauwelijks raakt: haar beelden zijn zo krachtig en goed doordacht en haar concept steekt zo stevig in elkaar, dat ze alle ruimte voor twijfel uitgebannen lijkt te hebben. Olowska is in dat opzicht typisch een hedendaagse, zelfverzekerde internationale succeskunstenaar, waarvoor je grote bewondering kunt hebben omdat ze zoveel actuele en belangrijke thema’s met elkaar weet te verbinden – sowieso is Olowska het soort aanstormende topkunstenaar dat we in Nederland veel te weinig krijgen. Maar toch blijft er iets knagen. Eerst dacht ik dat het dat gebrek aan twijfel was – het heeft toch iets vreemds, zulke zelfverzekerde kunst maken over zulke onzekere tijden. Of was het de samenstelling van de expositie zelf? Die is soms wel erg hapsnap: te veel werken uit te veel verschillende series, waardoor het verband binnen Olowska’s oeuvre soms wat uit het zicht raakt.

Tot ik besefte dat er iets raars aan de hand was met de expositie als geheel: bijna de helft van de getoonde werken komt uit de collectie van Craig Robins, een grote Amerikaanse vastgoedmakelaar en privéverzamelaar. Dat kan, dat mag, maar toch is het vreemd dat een privécollectie zo’n prominente rol speelt op een tentoonstelling in een prestigieus instituut, zeker als die keuze vervolgens onevenwichtig is. Worden hier kosten gespaard? Spelen er andere belangen? En ineens wist ik ook wat er schortte aan Olowska’s analyse. Op Au Bonheur des Dames toont ze dat ze, als zoveel goede kunstenaars, een geweldig oog heeft voor uiterlijk, voor de verleiding van het beeld, voor het verleden, maar ook dat haar beelden niet de kracht hebben om echt diep door te dringen in de complexe problematiek die ze aansnijdt. Mooie, uiterlijke kunst maakt Olowska, over moeilijke uiterlijke dilemma’s. Hoe langer ik over de expositie liep en hoe vaker de naam van Robins opdook, hoe meer ik de kunstenares wilde toefluisteren: ‘It’s the Money Honey’. Als Olowska werkelijk diep had willen snijden, had ze wel iets meer aandacht mogen besteden aan het feit dat geld honderd jaar na Malevitsj en Van Doesburg definitief de toonaangevende ideologie is geworden – zie het Stedelijks afhankelijkheid van Robins.

Of zouden al die warenhuizen in Olowska’s oeuvre dan toch een subtiele metafoor voor de hedendaagse kunstwereld zijn? Toegegeven, ik twijfel of ze het er bewust heeft ingestopt, maar Olowska’s werk is wel zo krachtig en verleidelijk dat je het er graag in wilt zien – en dat is ook een kwaliteit.

    • Hans den Hartog Jager