Niet in de wieg gelegd voor bekend bioloog

Met The Selfish Gene, over de evolutionaire betekenis van de genen, kreeg de Britse bioloog Dawkins bekendheid. Beesten interesseerden hem aanvankelijk helemaal niet, zo blijkt uit het eerste deel van zijn memoires.

Richard Dawkins in het University Museum of Natural History, in Oxford, in 2011 Foto Hazel Thompson/The New York Times

Als dertienjarig jongetje kroop Richard Dawkins (1941) iedere nacht in foetushouding onder zijn lakens. Dit was zijn ‘eigen kleine hoekje met God’, waar hij kon bidden en over engelen droomde.

Nu is Dawkins al lang beroepsatheïst. De Britse bioloog schrijft al bijna veertig jaar over evolutie en religie. Zijn fanatieke strijd tegen geloof en bijgeloof maakten Dawkins tot een begrip in atheïstische én religieuze kringen.

Als stem van het ‘nieuwe atheïsme’ is Dawkins erg populair. Op een Brits congres waar hij twee maanden geleden sprak, veranderde de koffiepauze in een spontane signeersessie. Sommige bewonderaars brachten zelfs exemplaren van The Selfish Gene (1976) mee, Dawkins’ allereerste boek waarin hij het idee lanceerde dat niet soorten of organismen, maar genen centraal staan in de evolutie: onze lichamen zijn de ‘overlevingsmachines’ die onze genen bouwen om hun eigen voortbestaan te garanderen.

De publicatie van The Selfish Gene is het scharnierpunt in zijn leven. Het betekende het einde van een relatief beschermd bestaan als gedragsbioloog in Oxford, en het begin van een carrière als schrijver en denker. Dat maakt dit moment ook tot een natuurlijk eindpunt van An appetite for wonder, het eerste deel van Dawkins zojuist gepubliceerde autobiografie.

Die keuze om de autobiografie in tweeën te knippen is gevaarlijk. Dawkins’ kabbelende jeugd is geen stevige basis voor een spannende autobiografie. Dawkins omzeilt dat probleem door zijn memoires met fijne bespiegelingen over wetenschap en religie te spekken. In het eerste hoofdstuk over Dawkins eigen voorouders, verschijnen dus óók oervissen uit het Devoon (400 miljoen jaar geleden): dat zijn tenslotte de voorouders van ons allemaal.

Het is om die reden ook prettig dat Dawkins in Afrika opgroeide, in landen die niet meer bestaan, zoals Nyasaland (Malawi) en Zuid-Rhodesië (Zimbabwe). Zijn vader werkte voor de landbouwafdeling van de Britse Koloniale Dienst. Zijn moeder die voor de jonge Richard en zijn zusje Sarah zorgde, hield gelukkig een dagboek bij. Haar korte anekdotes zijn kort maar fijn, zoals toen ze voor een malaria-onderzoek naar de dokter ging maar zwanger bleek.

Opvallend genoeg was Dawkins niet als bioloog in de wieg gelegd: de leeuwen interesseerden hem niet en een middag kikkervisjes vangen met de jonge David Attenborough maakte weinig indruk. Eigenlijk was hij een doodgewoon Brits jongetje in Afrika. Het gezin was niet arm of rijk, maar het leven daar was goed.

Dawkins is op zijn leukst als hij met gefascineerde schaamte terugkijkt op zijn goedgelovigheid als jongetje. Zoals toen hem op de mouw werd gespeld dat de Afrikaanse man met wie hij verstoppertje speelde, zichzelf onzichtbaar had gemaakt. Onzin natuurlijk. Maar waarom vroeg niemand hem toen kritisch na te denken over wonderen en sprookjes, vraagt hij zich bozig af. In plaats daarvan worden kinderen gestimuleerd in fabeltjes te geloven, ook nu nog. De ‘magie van de kindertijd’ is heilig, constateert hij beteuterd. Het had niet veel gescheeld of Dawkins was in Afrika gebleven, maar in 1945 ontving zijn vader John een telegram: hij had van een verre neef een landgoed en boerderij in Oxfordshire geërfd. Het boerenleven lonkte en het gezin keerde in 1949 terug naar Engeland.

Rotklussen

In Afrika was Dawkins leventje open en vrij, maar in Engeland liep hij vast in de rauwe realiteit van de kostschool. Hij schrijft over de vernederende praktijk van fagging op kostschool, waarbij de eerstejaars alle rotklussen moesten opknappen voor de hitsige ouderejaars die hij ’s nachts uit zijn bed moest weren. Niet vreemd als je bedenkt dat hij een feminien jochie in een school vol jonge jongens was, redeneert de evolutiebioloog nu nuchter.

Als er één ding is waar de volwassen Dawkins spijt van heeft, is dat de jonge Dawkins zijn vrije tijd verlummelde: middag na middag toast roosteren en Elvis Presley beluisteren. Bijzonder genoeg was het dat Presley hem in zijn geloof sterkte, met zijn nummer ‘I believe’. Sinds zijn confirmatie in de anglicaanse kerk op dertienjarige leeftijd was Dawkins diep religieus. Zijn ouders, zelf niet bijzonder gelovig, lieten hem daarin zijn gang gaan.

Gelukkig was die godsdienstmanie van korte duur, schrijft hij. Als zestienjarige kwam hij samen met twee vrienden in verzet tegen de godsdienstige rituelen op school. Het trio knielde niet langer in de kapel en hield de lippen stijf op elkaar terwijl klasgenoten gebeden prevelden. Het is verleidelijk om in deze tijd de kiem van Dawkins’ latere afkeer tegen religie te zoeken, maar dat zou onterecht zijn.

Hij werd niet hard aangepakt of tegengewerkt: daar waren de anglicaanse leraren en priesters te fatsoenlijk voor. Pas op Balliol, het college in Oxford waar zijn vader en grootvader ook studeerden, bloeide hij op. Hij en zijn jaargenoten voerden hoogdravende gesprekken, over theater, poëzie en muziek.

Dawkins wilde biochemie studeren, maar werd niet toegelaten. Zoölogie was zijn tweede keus. In de bibliotheek van die afdeling mag hij voor het eerst zélf uitzoeken hoe de wereld in elkaar steekt. Hij is diep onder de indruk van een hoogleraar op een van zijn vragen antwoordt: ‘Interessante vraag, ik heb geen idee!’

Niko Tinbergen

Via het Oxfordse tutorsysteem, waarbij docenten en hoogleraren studenten intensief begeleiden, kwam Dawkins in aanraking met gedragsbioloog Niko Tinbergen, zijn latere promotor en Nobelprijswinnaar (1973). De biografie wordt op dit punt stiekem biologie: de jonge onderzoeker werd gegrepen door zijn onderzoek aan het pikgedrag van kuikens, en zwoegt nachtenlang op experimenten en apparaten.

Dawkins vertelt over deze periode uit zijn leven liever over zijn popperiaanse experimenten en de fundamenten van de wetenschap dan over zijn persoonlijke leven. Ook dit deel van zijn autobiografie is toegankelijk en vlot geschreven, maar de sterke focus op zijn onderzoek leidt tot vreemde overgangen. Voor de lezer trouwt hij bijvoorbeeld totaal onverwacht met zijn eerste vrouw, Marian Stamp. Verder leren we bijna niets over haar, behalve dat zij en Dawkins samen experimenten bedachten en uitvoerden.

De oorsprong van The Selfish Gene is dan interessanter. In een lezing die hij in 1966 gaf, wilde hij de revolutionaire ideeën van de bioloog William Hamilton over verwantschapsselectie verwerken.

Kort gezegd komen die er op neer dat dieren en planten erbij gebaat zijn om voor verwanten te zorgen als ze daar zelf geen nadeel van ondervinden, omdat ze zo indirect ook de verspreiding van hun eigen genen bevorderen. ‘Genen zullen zelfzuchtig zijn’, staat in een kopie van Dawkins’ aantekeningen van de lezing.

Een geïnteresseerde uitgever raadde hem af het de titel The Selfish Gene te geven. Zelfzuchtig is een negatief woord, dat zou nooit verkopen. Was ‘Het Onsterfelijke Gen’ niet beter? Dawkins geeft hem daarin nu gelijk; de metafoor van het zelfzuchtige gen wordt vaak verkeerd begrepen.

Als zijn publieke leven begint, eindigen zijn memoires. Dit eerste deel doet vermoeden dat deel twee weinig persoonlijke informatie zal bevatten en vooral gewijd zal zijn aan Dawkins’ intellectuele strijd inzake evolutie en religie. En misschien is dat ook maar het beste.