Krulletjes

Het liep tegen twaalven, het was op deze zondag nog stil in het café-restaurant waar ik met mijn vrouw binnenging. Het bedienend personeel trof de voorbereidingen voor het lunchuur, de barjuffrouw wreef de tapkranen glimmend. Wij gingen op een bankje in het cafégedeelte zitten, tegen de muur, zodat we een goed overzicht hadden.

Mijn oog viel op een ouder echtpaar, vermoedelijk opa en oma, die met een zwartharig jongetje aan een tafeltje zaten. De grootvader droeg onder zijn colbert een hooggesloten overhemd zonder das en had een grijze, zorgvuldig bijgehouden baard die hem iets waardigs gaf. Hij had de rabbijn van een nabijgelegen synagoge kunnen zijn. Zijn vrouw was klein en kordaat, zoals bleek toen ze af en toe naar de bar liep om drankjes te bestellen.

Mijn respect gold vooral de grootvader, die met veel geduld samen met het jongetje een plaatjesboek doornam. Hij wees, gaf toelichting en stelde vragen om zijn kleinzoon bij de les te houden. Regelmatig streek hij hem koesterend over zijn hoofd en rug. Was ik maar zo’n ideale grootvader, dacht ik, jezelf wegcijferend, helemaal opgaand in de wereld van het kind. Ik was in zulke situaties vaak met mijn hoofd half bij andere besognes. Of zou dat ook voor deze meneer gelden, maar kon hij het beter camoufleren?

Ik stootte mijn vrouw aan. „Moet je kijken hoe goed die man met zijn kleinkind omgaat.”

„Ik dacht dat je naar dat andere echtpaar zat te kijken”, zei ze. Ze wees met een knikje van haar hoofd. Ik had dit echtpaar nauwelijks opgemerkt. Het waren veel jongere mensen, halverwege de dertig. Ze hadden ook een jongetje bij zich, goudblonde krulletjes, een jaar of zeven. „Valt je niks op?”

In eerste instantie zag ik niks bijzonders. Het waren jonge mensen in vrijetijdskleding, niet al te spraakzaam, maar dat hoeft ook niet op zondagmorgen. Volgens sommige cabaretiers moeten echtparen altijd met elkaar praten, vooral in cafés waar diezelfde cabaretiers boven een biertje hangen en om zich heen kijken om materiaal op te doen voor hun nieuwe programma. Praten ze niet, dan is het huwelijk dood. Het moet heel vermoeiend zijn om met zo’n cabaretier getrouwd te zijn.

„Je bedoelt dat ze stil zijn?”, vroeg ik.

Ze schudde het hoofd. „Let even op die vrouw.”

Die zat aandachtig in een tijdschrift te lezen en liet het vermaken van het kind helemaal aan haar man over. Precies zoals aan het andere tafeltje, zou je op het eerste gezicht zeggen, maar er was een duidelijk verschil: de grootmoeder keek toe en bemoeide zich af en toe met het gesprek, terwijl de jonge vrouw geen aandacht had voor het kind met wie haar man speelde. Op zeker moment gingen vader en zoontje met een plastic bal naar buiten, maar de vrouw keek nauwelijks op of om.

„Vreemd”, zei mijn vrouw, „alsof het haar niet interesseert.”

We kregen onze koffie en bestelden iets te eten. Langzaam begon het drukker te worden, er kwamen vooral meer echtparen met kinderen binnen. De vader kwam terug, nogal bezweet en hijgend, en ging weer met zijn zoontje bij de vrouw zitten. Het kind mocht een flesje cola gaan halen.

Toen hoorden we de vrouw vragen: „Van wie heeft hij eigenlijk die blonde krulletjes?”

Ik had graag het antwoord van de man vermeld, maar helaas ging dat verloren in het gekletter waarmee een serveerster juist op dat moment borden en bestek op ons tafeltje plaatste.