Kijk, een ijsbeer bij de Theems

In zijn nieuwe boek geeft Philip Hoare, schrijver van het bekroonde Leviathan, or the whale, weer blijk van verwondering over de zee, de dieren, en zoveel meer.

Philip Hoare

Gaat het wel goed met Philip Hoare? Iets meer dan vijf jaar geleden bereikte de Britse reisschrijver voor het eerst een groot publiek met Leviathan, or the whale, een innemende liefdesverklaring aan de Amerikaanse schrijver Herman Melville, aan diens klassieker Moby-Dick en de potvis. Hij won er de Samuel Johnson Non-Fiction Prize mee, de belangrijkste non-fictieprijs van Groot-Brittannië. En sindsdien is hij een geziene gast op bijeenkomsten over de walvis en/of Melville.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat hij zijn passie voor het grootste zoogdier op aarde verder zou uitwerken. The Sea Inside heet het nieuwe boek, waarin Hoare net als zijn vorige, autobiografische elementen, reizen en natuurwetenschap en cultuurgeschiedenis mengt. Maar de gloedvolle, enthousiaste auteur die ontroerend schreef over duiktochten met potvissen, lijkt een somber man geworden. De observaties vanuit de Zuid-Engelse havenstad Southampton waar hij op een mountainbike wat doelloos door de buitenwijken fietst, zijn weinig opbeurend. Zo schrijft hij zich aangetrokken te voelen ‘tot de identiteitsloosheid van de havenstad’.

Gelukkig blijkt dit slechts een inleiding op een overtuigend reisverhaal met natuurhistorische faits-divers, cultuurhistorische vergezichten en familiegeschiedenissen. In de kleine driehonderd pagina’s die volgen,vertelt Hoare over de bizarre belevenissen van zijn eigen familie die in de negentiende en twintigste eeuw uitwaaierde naar Amerika en Australië, ontberingen leed en soms zelfs spoorloos verdween.

Zwaartepunt in The Sea Inside ligt natuurlijk bij de zee. In een tijd dat we het aard- en zeeoppervlak met Google Earth binnen handbereik hebben, is de zee volgens Hoare ‘de enige plek op aarde die we nog echt moeten ontsluiten’. Want wie heeft, buiten Avatar-filmreggisseur James Cameron, nu werkelijk zicht op het leven in de Marianentrog, met 11 kilometer de diepste plek in de zee en slechter in kaart gebracht dan de maan. Hoare schrijft verder dat van de miljoen soorten in onze oceanen driekwart nog niet is beschreven. Een derde is voor de wetenschap onbekend.

Toch gaat The Sea Inside over meer dan alleen de zee. Het is ook een cultuurgeschiedenis, een relaas over onze veranderende houding ten opzichte van dieren. Zoals de raaf, die eerst nog vóór de duif door Noach uitgezonden als hoopbrenger fungeerde, maar in de Middeleeuwen als aaseter en onheilsprofeet te boek kwam te staan. Uiteindelijk is de zee voor Hoare een metafoor voor het onbekende en in die zin kan het boek over alles gaan. Zelfs ons eigen lichaam dat volgens Hoare net zo onbekend voor ons is als de oceaan: ‘Tegelijk vertrouwd en vreemd, de zee in onszelf.’

Hoare wendt die metafoor aan om te schrijven over de meest wonderlijke dierenverhalen. We maken kennis met de ijsbeer van koning Jan, die zijn verzorgers ergens in de dertiende eeuw toestemming verleent het krachtige beest aan een lange ijzeren ketting aan de oevers van de Theems te laten jagen. Ook vertelt Hoare over de Thycaline, een Tasmaanse tijger met smalle kop en zebra-achtige achterzijde die officieel sinds 1933 is uitgestorven, maar sindsdien, zo blijkt uit ooggetuigeverslagen die Hoare leest, vaak is waargenomen, en toch uitgestorven blijft. Op papier. Uit angst dat het beest alsnog de vergetelheid in geschoten wordt.

Wonderlijk blijft, hoewel we het kennen uit een van David Attenboroughs natuurdocumentaires, het verhaal over het cognitieve vermogen van de zwarte kraai. Een vogel die zo slim is dat het bij rood licht een nootje op de weg legt, bij groen licht afstand neemt, om bij het volgende rode licht zijn door een autoband gekraakte nootje op te eten.

Hoare slaagt er wederom in de lezer mee te voeren, van de Tasmaanse bossen tot de walvisrijke zeeën bij de Azores. En dan snapt de lezer ook beter Hoares keuze voor Southampton: dat is geen zwaktebod, maar een anker om niet in de maalstroom van de verwondering meegevoerd te worden. Of, zoals hij ergens schrijft: ‘Onze eerste angst is verlaten te worden, ook onze laatste. We verlaten allemaal ons huis om, met het risico voor altijd verloren te raken, dat thuis uiteindelijk weer te vinden.’

    • Roderick Nieuwenhuis