In een wereld vol middelpuntzoekende krachten

Niets menselijks is de criticus vreemd, dus soms overvalt je tijdens een interview met een schrijfster opeens een gedachte die, eh, nu ja: een buitenliteraire gedachte.

En soms is die gedachte zo overheersend dat het je voornaamste herinnering aan de ontmoeting wordt. Nooit had ik dat sterker dan bij het gesprek dat ik op een ochtend met D. Hooijer voerde. Het was lente: in de Hilversumse heggen zongen de lijsters dat het een lieve lust was en in de onberispelijke woonkamer van D. Hooijer waren er koekjes bij de koffie. En het enige wat ik kon denken was: ‘Ach, als deze vrouw gewoon af en toe op mijn kinderen zou passen.’

Waarom? Niet om ze te leren gokken – Hooijer liet blijken wel te weten hoe een fruitmachine werkt – maar om ze eens lekker in de war te brengen.

In de war brengen, dat deed de bepretoogde Hooijer onophoudelijk en met overgave – of ze nu schreef of sprak. Werd ze gecomplimenteerd met haar stijl dan zei ze doodernstig: ‘Ja die stijl van mij, daar moet ik eens vanaf.’ De andere boeken die voor de Librisprijs 2008 waren genomineerd vond ze hoe dan ook een stuk beter dan het hare, Sleur is een roofdier. Die titel was natuurlijk programmatisch, net als een tussenzinnetje ‘Leuk, dat fatsoen’ in de beschrijving van een mooie vrouw. Het soort zinnen dat je niet in die andere voor die prijs genomineerde boeken tegenkwam, net als: ‘Mijn zaad had niet meer de geur van cantharellen maar van bosgrond, iets van takjes en droge bladeren.’ (Van dat oppassen is het nooit meer gekomen – droom, daad, praktische bezwaren, Hilversum is ver).

Begin deze week bleek D. Hooijer ineens te zijn doodgegaan: ‘We wisten dat zij met haar gezondheid kampte maar ze berichtte ons daar zo onsentimenteel over dat we niet in de gaten hadden hoe dicht ze bij het einde was’, schreef haar uitgever op zijn site. In een oud stuk werd Hooijer afgezet tegen de middelpuntzoekende krachten in de Nederlandse letteren. Die zijn inderdaad alomtegenwoordig: zo liggen hier op mijn bureau de boeken De schaduw van mijn vader, Het huis met de schaduw en In de schaduw van Banyan – ik kan me niet aan de indruk onttrekken met driemaal hetzelfde boek van doen te hebben.

Gelukkig zijn er nog mensen die tegenwicht bieden – zoals de AKO-jury die vorige week álle favorieten voor de shortlist passeerde. De hoop op iets anders duikt ook op in de wedlijstjes voor de Nobelprijs, die volgende week donderdag wordt verwacht. Bij Ladbroke’s schoot een dag of tien geleden ineens de verre van middelpuntzoekende Noorse toneelschrijver Jon Fosse omhoog tussen de Murakami’s en Adonissen. (Ik zou al mijn geld op Alice Munro zetten, maar dat terzijde).

De lijstjes van wedkantoren gehoorzamen aan de wetten van de markt. Fosse (auteur van Og aldri skal vi skiljast, Nokon kjem til å komme en natuurlijk Dødsvariasjonar) stijgt omdat er geld op hem is ingezet. Veel geld. Dat kan duiden op een lek bij de leden van de Zweedse academie, zoals vijf jaar geleden toen J.M. Le Clézio de prijs won. Ik denk dat het anders zit. Volgens mij heeft iemand, gewoon voor de lol, een heleboel geld op Jon Fosse ingezet. In een onverdachte plaats, zeg: Hilversum. Om iedereen nog één keer in de war te brengen.