Iedereen wil iets terug uit Brussel

Op de partijcongressen van de laatste weken bleek dat een Britse EU-uittreding steeds reëler wordt.

I n, out, shake it all about. Het was de titel van een debat over Europa afgelopen week tijdens het partijcongres van de Britse Conservatieven. Maar ‘erin, eruit, alles opgeschud’ is net zo goed een samenvatting van de discussie over het Britse lidmaatschap van de Europese Unie van de afgelopen weken. Met nog acht maanden te gaan tot de Europese verkiezingen werd op de partijcongressen de toon gezet voor de campagne.

Niet in het minst door de eurosceptische UK Independence Party. Partijleider Nigel Farage kondigde aan dat de verkiezingen „het referendum worden dat we nooit kregen”. Hoe meer zetels voor zijn partij, des te duidelijker dat de Britten genoeg hebben van Europa: „We willen ons land terug.” Uit de laatste peilingen zegt 43 procent van de Britten de EU te willen verlaten.

De Conservatieven zeiden bij monde van minister van Buitenlandse Zaken William Hague dat er in mei volgend jaar een „helder verhaal” zal zijn over welke bevoegdheden de Britten terugeisen uit Brussel en waarmee de partij kiezers kan overtuigen. De partij belooft – als enige – een volksraadpleging over het EU-lidmaatschap, maar moet daarvoor wel de parlementsverkiezingen van 2015 winnen.

De Liberaal-Democraten presenteren zich als „de partij van erin”. „Laten we onpopulair zijn voor iets waar we echt in geloven”, zei oud-partijleider Charles Kennedy. Hij kreeg er een staande ovatie voor. En ook Labour wil EU-lid blijven, al werd die boodschap minder stellig gebracht. Schaduwminister van Buitenlandse Zaken Douglas Alexander noemde zijn partijgenoten ‘progressieve internationalisten’: „Diegenen die voor terugtrekking zijn, zitten aan verkeerde kant van het argument.”

Duidelijk is dat alle partijen hervorming van de Europese Unie eisen, en die boodschap ook bij de Europese verkiezingen naar voren zullen brengen. Daarbij voelen zij zich gesterkt door onder meer de opmerking van het Nederlandse kabinet in juni dat „de tijd van een al maar nauwere samenwerking op alle terreinen voorbij is”.

UKIP pleit voor volledige uittreding uit de EU en daarna een relatie met Europa die alleen is gebaseerd op handelsverdragen. De andere partijen citeerden de Nederlandse slogan: „Europees wat moet, nationaal wat kan.”

Vooral opmerkelijk is dat dit de overheersende gedachte bij de Conservatieven is geworden. Tijdens het partijcongres van vorig jaar was de stemming aanzienlijk eurosceptischer, en dreigde er een opstand als David Cameron niet met een referendumbelofte kwam. Die is er nu. Bovendien heeft de regering aangekondigd dat het Verenigd Koninkrijk zich terugtrekt uit de meerderheid van de 133 Europese politie- en justitierichtlijnen – een optie die de Britten al eerder voor zichzelf hadden bedongen. Het is de eerste aanzet tot ‘nationaal wat kan’.

Dat betekent niet dat de Conservatieven minder wantrouwend tegenover Europa staan. Liefst ziet de meerderheid van de partij het lidmaatschap teruggebracht tot een louter economische relatie. Bijvoorbeeld door in de EU te blijven, maar dan op de manier waar de Britten in 1973 voor kozen: een interne markt zonder alle toevoegingen op sociaal gebied. Of door te kiezen voor een Zwitserland- of Noorwegenmodel: wel handel, geen lidmaatschap. De uitkomst is afhankelijk van de onderhandelingen die Cameron na 2015 wil voeren met de EU, en waarvan de Conservatieven veel verwachten. „We zijn aan het einde van het Romeinse rijk beland. De status quo leidt tot verval”, waarschuwde Lagerhuislid Andrea Leadsom, oprichter van de Fresh Start-groep, die – met steun van de partijtop – kijkt naar welke bevoegdheden kunnen worden teruggehaald.

Op Leadsoms wensenlijstje onder meer: een noodrem waarmee toekomstige regels voor de financiële sector kunnen worden tegengehouden; een waarborg dat de eurozone de belangen van niet-eurolanden respecteert als het gaat om de interne markt; en de repatriëring van bevoegdheden op het gebied van werkgelegenheid en sociaal beleid. De Britse regering moet bovendien het recht hebben om te bepalen wanneer andere EU-burgers toegang krijgen tot uitkeringen.

Een deel van de Conservatieve achterban zal hier nooit genoegen mee nemen. Bill Cash, het Lagerhuislid dat de opstand onder John Major aanvoerde over het Verdrag van Maastricht, wil bijvoorbeeld nog altijd dat de Britten uit de Unie stappen, en liefst dat er nú een referendum wordt gehouden. Maar zelfs hij complimenteerde Cameron met diens belofte voor een volksraadpleging. Cash smeekte UKIP-partijleider Nigel Farage in een debat om zich gedeisd te houden. Die partij snoept stemmen af van de Conservatieven, waardoor de kans op een coalitie of een Labour-regering groter wordt, en de kans op een referendum afneemt. „Alleen de Conservatieven hebben een kans een meerderheid in het Lagerhuis te halen, en dus een referendum te kunnen leveren. Het is geen hogere wiskunde.”

Maar Farage antwoordde dat hij Cameron niet vertrouwt. „Zijn belofte is niets meer dan een poging om een referendum uit te stellen en hopen dat men het vergeet. Wij verhogen de inzet, voeren de druk op, en zullen daardoor ook Labour dwingen tot een referendumbelofte.”

Want Labour aarzelt. De oppositiepartij vreest zwak over te komen door – onder druk van UKIP en de Conservatieven – een referendum te moeten beloven. De partij is vooral bang dat, mocht ze de verkiezingen van 2015 winnen, ze dan gebonden is aan een volksraadpleging. De regering is dan de eerste twee jaar bezig met heronderhandelen, de Conservatieven zullen de teruggehaalde bevoegdheden onvoldoende vinden, en vervolgens stemmen voor uittreding. Opiniepeiler YouGov berekende dat de kans op een ‘Brixit’ het grootst is onder een Labour-regering.

Daarom moet Ed Miliband Cameron voor zijn door juist zo snel mogelijk een referendum te steunen, vindt onder andere Lord Maurice Glasman. Hij wordt omgeschreven als de ‘goeroe’ van Miliband: „We moeten de kiezer vertrouwen dat hij beseft dat de EU gebreken heeft, maar dat het antwoord niet is eruit te springen.” Keith Vaz, de invloedrijke voorzitter van de Lagerhuiscommissie voor Cultuur en Media, zei: „De partij kan dit onderwerp niet ontduiken. Het houdt de Britten bezig, en het is beter als we nu met een referendum komen.” Dat zou ook voorkomen dat een Conservatieve regering de relatie met de EU uitkleedt tot een louter economische. „Haar doel is om de rechten van werknemers te ontmantelen”, waarschuwde schaduwminister van Buitenlandse Zaken, Douglas Alexander. „Dat is haar echte agenda.”

„Het argument dat wij de kiezer kunnen voorleggen, is dat Europa essentieel is als we willen concurreren met de rest van de wereld. We moeten stevig contact hebben met de buren om sterk te staan in de wereld.” Alexander zei dat Labour „een brede hervorming van de EU voorstaat, geen terugtrekking van bevoegdheden”. Maar Labour lijkt geen plan te hebben over hoe hervormingen eruit zouden moeten zien. In tegenstelling tot de Liberaal-Democraten. De kleinste coalitiepartner is alleen voorstander van een referendum als er nog meer soevereiniteit van Londen naar Brussel wordt overgeheveld, bijvoorbeeld in een nieuw EU-verdrag.

Zo’n verdrag kan er, in antwoord op de eurocrisis, daadwerkelijk komen. „Daar moeten we klaar voor zijn”, zei Michael Moore, minister voor Schotland. „Als we de argumenten voor niet krachtig kunnen verwoorden, verliezen we.” De partij vindt de EU „verre van perfect”, maar zal in de verkiezingscampagne benadrukken wat de EU heeft bewerkstelligd: van goedkopere vluchten tot verlaging van de tarieven voor mobiel bellen, en gezamenlijke standaarden voor voedselveiligheid.

Daarmee staat de partij lijnrecht tegenover UKIP. Bij de vorige Europese verkiezingen behaalden de LibDems twaalf zetels, UKIP dertien. Maar de peilingen wijzen op grote winst voor UKIP. Tot tevredenheid van partijleider Farage: „Als we een aardbeving veroorzaken, zal die in Brussel worden gehoord. Als ze zich realiseren dat wij Britten buitengewoon serieus zijn over wat we willen, zullen we een betere onderhandelingspositie krijgen.”