Hello Bob, dit is Alan Greenspan

‘Tegen acht uur ’s avonds ben ik terug in mijn kantoor, dat inmiddels nogal koud geworden is. Als ik uitadem zie ik damp. Er zijn nog stukken om te tekenen en memoranda om goedgekeurd te worden voordat we in de vergetelheid verdwijnen.”

Aan het woord is Robert Reich, minister van Arbeid onder president Clinton, tijdens de vorige shutdown van de Amerikaanse overheid, eind 1995. Reichs memoires, Locked in the Cabinet, staan in de legendarische bibliotheek van Tamminga & Schinkel op de plank ‘komt vast nog eens van pas’. En verdomd. We citeren verder:

„De telefoon gaat.

- Hello Bob, met Alan Greenspan.

Wat kan de machtigste man ter wereld in godsnaam op dit uur van de dag willen van een minister van een klein departement dat op het punt staat op te lossen?

- Hoe gaat het Alan, is de Fed nog open? Staat de verwarming bij jullie wél aan?

Hij grinnikt.

- Voor zover ik weet wel. Zeg, kun me je me een kleine dienst bewijzen?

- Natuurlijk.

- Kan je zorgen dat Cindy wel aan het werk blijft tijdens de shutdown?

Cindy!? Wie is Cindy? Aha, Alan, ouwe snoeperd. Een ‘vriendinnetje’ op het ministerie, hè?

Ik haper: Wel, ik moet, eh.

Greenspan hoort mijn verwarring.

- Oh, natuurlijk, je kent haar niet. Cindy McMann. Ze houdt de wekelijkse aanvragen voor werkloosheidsuitkeringen bij, en belt die elke woensdagochtend aan me door. Zeer bruikbare data.

Dit is de eerste keer dat ik hoor dat Greenspan wekelijks op de hoogte wordt gesteld over gevoelige economische data, diep vanuit het ministerie. Wie weet hoeveel mollen hij heeft in de hele federale overheid?”

Zoals elke handelaar, analist, bankier en belegger weet, zijn de Amerikaanse werkgelegenheidscijfers, de zogenoemde non-farm payrolls het allerallerbelangrijkste cijfer op de financiële markten. Ze komen elke eerste vrijdag van de maand, en de markt zet zich er schrap voor. Wie het verloop van de payrolls wil inschatten volgt op zijn beurt weer de publicatie van de wekelijkse werkloosheidsaanvragen van donderdagmiddag. Alan Greenspan kreeg ze, tot Reichs verbijstering, al op woensdagochtend. De toenmalige Fed-chef maakte zich destijds zorgen of de cijferstroom tijdens de shutdown wel zou doorgaan.

Ditmaal is het niet anders. Vandaag moeten de markten het doen zonder de payrolls. Dat berooft hen van een cruciale clou over de economie – en een mogelijkheid om winst te maken. Want wie het eerst kan reageren, maakt de meeste kans op een klapper. Maar hoe snel is ‘eerst’?

Sneller dan toen. Oneindig veel sneller. Toen de Fed vorige maand haar verrassende beslissing nam om de miljardensteun op hetzelfde peil te houden, volgde een onderzoek naar het feit dat de beurzen van New York en Chicago daar exact om 14.00 ’s middags op reageerden. Dat had twee milliseconden later moeten zijn, gezien de tijd die de data van het besluit nodig hadden om van vergrendelde servers naar de nieuwsfeed te reizen.

Twee milliseconden. Dat is weinig, en het onderstreept hoe bizar de markten al geworden zijn. Het zogenoemde ‘high frequency trading’ neemt nu al het gros van de omzet voor zijn rekening neemt. De computer wint altijd. De minimale menselijke reactietijd, gemeten bij 100-meterlopers op de Olympische Spelen in Beijing, is 118 milliseconden.

Je vraagt je af hoe groot de verleiding wordt om het dan maar véél eerder te weten. Zeker nu data helemaal uitblijven. Hoe druk zouden de Cindy’s het hebben, dezer dagen?

Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze column over economische ontwikkelingen.

    • Maarten Schinkel