opinie

    • Margriet Oostveen

Haar beter ik

Is het nog onbetamelijk om het ter gelegenheid van de honderdste geboortedag van Simon Carmiggelt, aanstaande maandag, ook even te hebben over Renate Rubinstein, gevierd columnist, schrijfster, zijn geheime vriendin? Een goede columnist moet onbetamelijk schrijven, vond Rubinstein. Al was dat niet de reden waarom ze hun verhouding, de laatste tien jaar van zijn leven, gedetailleerd onthulde in Mijn beter ik, dat pas na haar overlijden (en vier jaar na dat van Carmiggelt) is gepubliceerd. „Wat ik aan hem dank is niet alleen het geluk, maar het leven zelf”, besluit ze het boek, ogenschijnlijk op de rand van het melodrama, want drie dagen later was ze dood.

Er is al vaak genoeg gezegd dat Mijn beter ik drammerig is, zo onuitstaanbaar als Rubinstein kon zijn („redelijk en om de vriendelijkheid van mensen wervend als ik ben”, zoals ze elders vrolijk over haar slechte karakter schreef). Toch kan ik het iedereen aanraden, al was het maar om nog eens vast te stellen dat narcisme bepaald geen kwaal van deze tijd is. God allemachtig, wat kon die vrouw toch impertinent zijn, Connie Palmen verbleekt erbij. Wie niet wil weten wat Simon Carmiggelt allemaal leuk vond als hij naakt en tevreden bij haar rond stommelde, krijgt het moeilijk. „Een monumentje bouwen”, noemde Rubinstein dat. Kon de koningin van de gave stijl het in afschuwwekkender popi-taal zeggen? Ze zat bovendien eerder als een jaloerse boekhouder de balans op te maken van Carmiggelts immer vleiende uitspraken over haar, versus de sombere over echtgenote Tiny, die als een kreng wordt weggezet. En dan nog die kinderachtige trots op Carmiggelts beroemdheid en dat ronduit hebberige opsommen van de eindeloze reeks ansichtkaarten en alle cadeautjes die hij voor haar meebracht: luxe pennen, kalfslederen dinges, exclusieve broche, ceintuur, presse-papier: nee, het kon niet op.

Toch maakt juist de kinderlijke onmatigheid van alles dat ik toch houd van dit ‘foute’ boek, verklaard in het piepkleine hoofdstukje ‘Vaderbinding’. Rubinstein vertelt daarin iets hartverscheurends aan Carmiggelt: „dat ik vanaf de dag dat mijn vader door de Grüne Polizei van huis gehaald was, alle snoep die ik kreeg in een schoenendoos voor hem opspaarde”. Rubinstein was toen tien en haar vader zou vermoord worden in Auschwitz.

Carmiggelt antwoordt dan dat hij kort na de oorlog eens bezweek voor een meisje in Zweden, en toen uit schuldgevoel een doos gevuld met snoep naar zijn dochtertje thuis stuurde. ,,Hij met zijn gave voor het vaderschap, ik met het verlangen naar mijn vader, we pasten op elkaar als een deksel op een potje”, schrijft Rubinstein. Kan het onbetamelijker: met je eigen, allesverslindende trauma het bedrog van een ander kind openbaren én inpikken? Hoe lang Rubinstein snoep bleef bewaren schrijft ze er niet bij – maar het heeft er alle schijn van dat de stroom van Carmiggelts attenties de verzameling eindelijk, eindelijk completeerde.

Renate Rubinstein eist in Mijn beter ik dan ook vooral haar plek als dochter op. Carmiggelt gaf haar haar niet zomaar „het leven zelf”. Hij gaf haar een leven terug.

    • Margriet Oostveen