Geen talent voor trouw of angst

Als een galerie minder goed werk van Lucian Freud wilde verkopen, liet de schilder het gewoon stelen. ‘Lou’ had genoeg boeven om hem heen om die klus te klaren. Geordie Greig probeert deze radicale non-conformist te doorgronden.

Lucian Freud in zijn atelier, 87 jaar oud Foto Geordie Greig

Hij gebruikte zijn penselen als scheerkwasten en werd razend als een model te laat kwam. Diverse verzoeken van het Vaticaan om de Paus te portretteren, interesseerden hem geen moer. En toen prins Charles, zelf amateur-schilder, hem schriftelijk vroeg schilderijen uit te wisselen, verbaasde hij zich over diens brutaliteit. Lucian Freud (1922-2011), de Britse schilder van het hardcore-naakt, was rebels, onhandelbaar en onbenaderbaar.

Dat weten we nu nóg beter dankzij de Britse hoofdredacteur van de Mail on Sunday. Wat veel journalisten nooit lukte, kreeg Geordie Greig wél voor elkaar: een vriendschappelijke relatie met de radicaalste non-conformist van het 20ste-eeuwse Britse establishment. Vroeg op de zaterdagochtenden mocht Greig jaren achtereen met Freud en diens trouwe assistent ontbijten in restaurant Clarke’s in Londen.

Aan de hand van interviews – minnaressen, modellen, vrienden, kunsthandelaren, verzamelaars en kinderen van de schilder – en eerdere publicaties probeert Greig zijn object van bewondering verder te doorgronden. En dat is grotendeels gelukt in het net verschenen Ontbijten met Lucian, geïllustreerd met onbekende foto’s en met reproducties van zijn werk. Of de schilder dit boek op prijs had gesteld, is twijfelachtig. Freud was ziekelijk gesteld op discretie en mateloos achterdochtig.

Onder het motto ‘fatsoen moet je vooral nooit doen’, overschreed Freud alle denkbare grenzen, en dat begon al door jong op school continu te spijbelen. Al schoppend tegen conventies, tegen de puriteinse middenklassenmores, hield hij er later een eigen normenstelsel op na. Kort samengevat: lak hebben aan alles en iedereen.

Om wat voorbeelden te geven: Uit twee huwelijken en talloze relaties kwamen veel kinderen voort, van wie er 12 zijn erkend, en 20 tot 30 niet. Was de sluwe, gesloten Freud, eenmaal getergd, en dat kon snel het geval zijn, dan deelde hij in het publieke domein – op straat, in restaurants en supermarkten, vuistslagen of kopstoten uit. ‘Hij had geen talent voor trouw of angst’, aldus verzamelaar Mark Fish.

Naar eigen zeggen stak Freud als student zijn school in brand, waarbij veel werk van zijn leermeester Cedric Morris verloren ging. Was een galerie van plan een bij nader inzien minder geslaagd doek van hem te verhandelen, of deugde de galerie kwalitatief niet, dan liet hij daar zijn eigen werk stelen. Genoeg vriendjes in de onderwereld die ‘Lou’ van dienst wilden zijn.

Drie zoontjes

Lucians grootvader Sigmund had het beaamd: een en ander is terug te voeren op zijn jeugd. Een gevoelsarme relatie met zijn vader, een architect en de jongste zoon van Sigmund, en een nieuwsgierige moeder die hem ‘een gekooid gevoel’ gaf. Beiden hadden in 1933 met hun drie zoontjes nazi-Berlijn ontvlucht, na de moord op een neef. Tussen de drie broers – Lucian was de middelste – wilde het een leven lang niet boteren. En Lucian haatte zijn tante Anna, dochter van Sigmund en psychoanalytica in Londen, omdat ze schilderijen van hem zou hebben vernietigd. ‘Ik houd van spanning en conflict’, aldus de schilder, en dat is een overbodig citaat in dit boek. Alleen aan zijn grootvader koesterde Freud goede herinneringen: niet aan de psychoanalyticus, maar aan de zoöloog die Sigmund ook was. Vandaar dat de schilder later roofvogels en opgezette dieren in huis hield of vriendinnen een wolf of aapje cadeau deed. De rat die vaak voor een van zijn doeken moest poseren, verdoofde hij met champagne en pillen. Zelf sliep hij graag in een stal met paarden.

Daarnaast was er een andere Freud, die zich als homo eroticus manifesteerde, die tientallen jaren bevriend was met zijn collega’s Francis Bacon, Frank Auerbach en David Hockney, die ‘geestig, magisch en charismatisch’ kon zijn, die ’s nachts met een 24-uurs toegangspas door de Londense National Gallery zwierf, die gokte tot hij er financieel bij neerviel, die met liefde de brieven van Gustave Flaubert voorlas en zich feilloos met toepasselijke anekdotes, roddels en boosaardigheden wist te voegen naar het gezelschap waarin hij vertoefde: ‘De waarheid die met kwade bedoelingen wordt verteld, verslaat alle leugens die je kunt verzinnen’, zei hij William Blake na.

Boeven waren hem net zo lief als de adellijke beau monde die hem financieel bijstond bij de zoveelste gokschuld. Interessant is het feit dat de Ierse bookmaker Alfie McLean maar liefst 25 doeken van Freud bezit, vermoedelijk de grootste particuliere collectie ter wereld, verkregen in ruil voor Freuds gokschulden.

De talloze bedrogen minnaressen die met hun meer of minder indiscrete bekentenissen door het boek zwerven – ‘er zit iets guls in pure lust’, meende de minnaar – overschaduwen Freuds schilderkunstige ontwikkeling. Van Bacon, wiens werk in de jaren zestig en zeventig zeer gewild was, keek Freud het wildere, lossere, vrijere schilderen af, en dat was gezien zijn vroege, precieze werk een heilzame stap voorwaarts. De schilder Frank Auerbach, ook als Duits Joods jongetje naar Engeland gevlucht, bleef vijftig jaar lang Freuds belangrijkste criticus. Terwijl Bacons ster alsmaar rees, kreeg diens vriend en rivaal Freud behalve bij Britse aristocraten aanvankelijk weinig internationale erkenning. Figuratieve kunst was passé en zijn doeken stootten verzamelaars af. De schilder vroeg ook steeds hogere prijzen en verkocht zijn werk zwart, waar galeriehouders niet van houden.

Na de dood van Bacon in 1992 begon zijn opmars in Amerika. Dat was te danken aan de inzet van de genereuze New Yorkse kunsthandelaar William Acquavella. Hij zag op Freuds atelier een naaktportret van de vadsige stripdanser Leigh Bowery en sloot een deal. Later zou hij hetzelfde doek voor 800.000 dollar verkopen aan het Hirshhorn Museum in Washington. Als blijk van vertrouwen betaalde Acquavella ook meteen Freuds gokschuld van 2.7 miljoen pond af. Voortaan kreeg de schilder de prijs die hij voor een doek vroeg en Acquavella zocht op zijn beurt naar een museale of particuliere klant. Een verademing na de conflicten met zes voorafgaande kunsthandelaren, die trouwens genoeg hadden van Freuds nachtelijke telefoontjes om aandacht of voorschotten.

Nachtschilderijen

Behalve over de voortdurend magische aantrekkingskracht van de schilder, weiden de betrokkenen in het boek ook uit over de oeverloze poseersessies voor de ‘dag- en nachtschilderijen’, de laatste waren seksueler van aard. Aan zijn latere meer monumentale doeken werkte Freud sneller, ook gezien de goede verkoop in Amerika. Maar ‘Paint was pain’ voor hem, aldus een van zijn liefjes. Verliep het schilderen niet naar zijn zin, dan vloekte en sprong hij woest in het rond.

Op de vraag waarom het model ontkleed moest zijn, antwoordde Freud: ‘Ik ben in ze geïnteresseerd als in dieren.’ Maar toen hij zelf ooit moest poseren op de academie hield hij zijn onderbroek aan, wat hij van zijn oudste dochter en naaktmodel, Anne, niet accepteerde: ‘Een inbreuk op mijn onschuld’, noemde ze dat later.

In zijn laatste jaren zag de bindingsbange Freud zijn kinderen vaker in zijn dure, ‘sjofel-chique’ herenhuis, met 18de-eeuws glaswerk tussen bedorven maaltijdresten. Sommigen kenden hun halfbroers of zusters niet of nauwelijks. En voor het pijnlijke gebrek aan vaderlijke aandacht verzon een ieder zijn eigen verklaring of excuus.

Het was Freuds wens na zijn dood in een zak in de plaatselijke gracht te worden gegooid. Hij kreeg een mis in een katholieke kerk en werd in besloten kring begraven. ‘Ik kijk vooruit, nooit terug’, was een van zijn leefregels. Jammer, zou zijn grootvader hebben gezegd, want van die reflectie had hij ook voor de opvoeding van zijn eigen kinderen wel wat kunnen opsteken.

Greig heeft met dit vlot geschreven boek, waaruit een grote mate van persoonlijke waardering spreekt voor de geestige kant van de schilder, veel prijsgegeven aan de openbaarheid die Freud, diens machtige familie en netwerk altijd hebben geschuwd. De chronologie is wat verwarrend en de achtergrond van sommige minnaressen wordt te diep doorgelicht. Maar gezien de uiteenlopende wetenswaardigheden en ruimhartige namedropping zal niet alleen menige Brit smullen van de bizarre affaires, anekdotes en schandalen.