Geef ons maar een pashokje

Overspel, geschonden vertrouwen, een terminale ziekte: Japin bakt er een eigenaardige klucht van, een onschuldige roman met een roffelende paukenist die in oneliners grossiert.

Een klucht ging het worden, zo verklaarde Arthur Japin afgelopen voorjaar in een televisie-uitzending over zijn op stapel staande boek De man van je leven. Zijn vorige boek, Maar buiten is het feest, over een door haar stiefvader misbruikte zangeres, was, zo zei Japin, behalve hoopvol ook erg zwaar geweest. Het volgende boek moest komisch worden.

Wie Japins woorden leest, vastgelegd door de website Tzum, raakt geïntrigeerd. Niet zozeer door dat nagestreefde komische, maar door dat ‘klucht’, een woord dat je koppelt aan Piet Bambergen of Jon van Eerd; aan lichtzinnige, door de TROS uitgestraalde humor.

Het doet bij een gelauwerd schrijver als Japin, die in 2004 nog de Libris Literatuurprijs won voor zijn Casanova-roman Een schitterend gebrek, vermoeden dat er een grote truc op komst is. Wat zal Japin met zijn ‘klucht’ gaan doen? Zal hij ons met een parodie een spiegel voorhouden over onze verslingerdheid aan humor en de lichte toets?

Het doet denken aan een bekende kok die aankondigt een ei te gaan bakken: wat gaan we straks in godsnaam voor ei op het bord krijgen wanneer de flappen van de keuken openklappen? Een gebakken ei zoals je dat nog nooit eerder at, zo valt te hopen, want voor een ‘gewoon’ gebakken ei hoef je de deur niet uit.

De man van je leven gaat inderdaad over ‘kluchtige’ thema’s als overspel en geschonden vertrouwen, en daarnaast zijn zowel de ruimte waarin het zich afspeelt als het vrijwel geheel lineaire verloop van de vertelling overzichtelijk. Japin plaatst zijn drie personages in een duinhuis op één van de Waddeneilanden, waar ze gezamenlijk een dag doorbrengen. Er moet een belangrijke beslissing worden genomen: Tilly, de vrouw van een echtpaar is terminaal ziek, en heeft via een datingsite een vrouw gelokt die als haar ‘vervanger’ moet gaan fungeren.

Tilly wordt aan de lezer voorgesteld als een zorgende vrouw in haar huwelijk met Markus. Iris, de beoogde plaatsvervanger, zal het stokje moeten overnemen. Voor het creëren van spanning in zijn roman heeft Japin volledig ingezet op de confrontatie tussen het drietal: Iris is een oude minnares van Markus – en zo bewaakt iedereen in de samenkomst een geheim.

Kreeft

Dat zorgt vooral in de eerste honderd pagina’s van De man van je leven voor blijspelachtige dialogen en momenten. Zo smoezelen Markus en Iris wat af wanneer Tilly de kamer verlaat om koffie te zetten en is er veel gedoe om een pas aangeschafte kreeft voor in het aquarium. Je krijgt niet de indruk dat Japin hiermee het ‘lichte’ schrijven parodieert. Een stuk waarschijnlijker is dat het allemaal echt grappig is bedoeld, wat over het algemeen een nogal zouteloze tekst oplevert.

Zo doet Tilly haar beklag over de verlegen en gevoelige Markus, nadat Iris zegt dat ze ‘gevoelig sexy is bij een man: Maar voor verjaardagen funest.’ ,,’Ik kan me de laatste keer niet heugen dat ik de mijne uitgebreid gevierd heb’, verzuchtte Tilly. ‘En mijn volgende kans op slingers, toeters en ballonnen is verkeken.”’

De man van je leven is dus kortom een heel gewoon ei geworden, waar je een beetje beduusd met mes en vork in poert. Japin heeft geprobeerd er diepgang aan te geven door een alwetende stem, die lang gezichtloos blijft, het drietal te laten becommentariëren. In diens zinnen kan de lezer werkelijk de tanden zetten, niet alleen vanwege de zwaardere onderwerpen (liefde, ouderdom en dood), maar vooral vanwege het aplomb en de ongrijpbare logica ervan.

Neem de eerste zinnen van het boek, waarin het meteen losgaat: ‘Leven is een verslaving als alle andere. Mensen beginnen eraan zonder na te denken over de gevolgen. Hoe het ondanks alle ellende die het met zich meebrengt ooit is aangeslagen, dat moet ik me door een van hen nog maar eens laten uitleggen.’

Paukenist

Deze commentator, het zou zonde zijn hem hier bij naam te noemen, is in deze verder vrij onschuldige roman de roffelende paukenist, grossierend in barse oneliners. Er klinkt iets van een dwingeland in hem door, doordat hij zich met enige regelmaat bedient van een veralgemeniserend jargon. Het ‘gros’ van de mensen doet dit, ‘de meeste mensen’ doen dat of juist ‘geen mens’ zou zich een voorstelling van ‘het einde’ kunnen maken ‘tot het moment waarop hij er oog in oog mee komt te staan’.

Japins opzet zal zijn geweest om met deze stem autoriteit bij de lezer af te dwingen, maar het resultaat is maar zelden overtuigend. Daarnaast leidt de blijkbaar onbedwingbare behoefte van de personages om vocaal over de grote thema’s te essayeren vaker wél dan niet tot potsierlijkheden. Tilly over haar liefde voor schelpen: ‘Het is even een studie, net als het hele leven. Je moet leren waar je op moet letten, maar dan gaan je ogen ook open.’

Wat Japin beter ligt, maar waar hij in deze roman helaas weinig gebruik van maakt, is het schrijven van beschrijvende scènes die niet zozeer op de dialoog of het aforisme steunen. Zo maakt hij de jaloezie en machteloosheid van een bedrogen vrouw invoelbaar, wanneer hij Tilly een concurrente laat schaduwen in een warenhuis. Tot in de pashokjes aan toe. ‘Ze kon haar rivale horen ademen. Die schopte haar schoenen uit en ritste haar jurk los. Zij stapte eruit, voet voor voet, terwijl ze om in evenwicht te blijven één hand tegen het schot legde, Tilly voelde de klap daarvan tegen haar rug en ze ervoer een rilling alsof er tussen hen in helemaal niets was, alsof zij door de onbekende vrouw gewoon werd aangeraakt.’

Daar, in de benauwenis van het pashokje, lijkt de schrijver Japin plotseling op te staan.

    • Sebastiaan Kort