Even een kwartiertje kennis opdoen

Marten Blankesteijn en Alexander Klöpping presenteren videocolleges van populaire professoren op internet. „Je moet het zien als wervende introducties tot het vakgebied.”

‘Wat is het evolutionair nut van tongzoenen?” „Waarom is het in Nederland zo goedkoop om iemand te doden?” Aanstekelijke vragen, beantwoord in korte videocolleges door welbespraakte hoogleraren.

Zo’n 35 professoren per jaar zal de Universiteit van Nederland presenteren op YouTube. Wekelijks één nieuwe gedurende het collegejaar, in dagelijkse blokken van een kwartier. „Dat zouden we decennia kunnen volhouden”, zegt bedenker Marten Blankesteijn (26). Samen met internetondernemer Alexander Klöpping (26), bekend van De Wereld Draait Door, kwam hij met het plan om videocolleges van populaire professoren online te zetten. „We hebben uit de aanmeldingen al veel leuke hoogleraren geselecteerd die bijna niemand kent.”

Op de website, waar vanaf 8 oktober de colleges dagelijks ’s avonds live worden uitgezonden, kan iedereen zijn favoriete prof aanmelden met een motivatie. Vier keer per maand bouwen Klöpping en Blankesteijn de hippe Amsterdamse club AIR om tot ‘de mooiste collegezaal van Nederland’. De eerste twaalf hoogleraren hebben hun colleges al opgenomen, voor 250 betalende toeschouwers. „De collegezaal was steeds vol of bijna vol”, zegt Klöpping. „Dat overtrof de verwachtingen, want we hadden er nog maar weinig bekendheid aan gegeven. Dat was wel een geruststelling vanwege de begroting waarmee we werken.”

Bezoekers betalen een tientje entreegeld, bij elkaar moet het een klein kwart van het budget van 400.000 euro opleveren. De resterende drie ton komt van de sponsoren SNS Reaalfonds, Ziggo, ASML, ICT-organisatie Surf, Stichting Domeinregistratie (SIDN) en het Fonds Ondersteuning Science Communicatie. „We kwamen bij hen langs met één A4’tje”, zegt Klöpping. „Maar we wilden wel onafhankelijk blijven. Een biermerk dat ons alleen wilde sponsoren, op voorwaarde dat er in beeld bier gedronken zou worden, hebben we afgewezen.”

Zowel Klöpping als Blankesteijn werken onbezoldigd, via een stichting. „We vinden het belangrijker dat iedereen gratis college kan krijgen van de beste hoogleraren in Nederland en Vlaanderen dan dat we meer salaris krijgen”, zegt Blankesteijn, die binnenkort met Blendle de Nederlandse iTunes voor kranten en tijdschriften biedt. Hij kwam op het idee voor UvN toen zijn broertje, 13 jaar oud, bij zijn entree op de middelbare school klaagde over het ‘vreselijke vak geschiedenis’. „Dat vond ik raar. Maar hij bleek een verschrikkelijke geschiedenisleraar te hebben. Toen heb ik hem naar colleges van Maarten van Rossem laten luisteren. Zo kwam hij erachter dat geschiedenis wél leuk kan zijn.”

Verhalen vertellen, dat moest de kern vormen voor de UvN. „Daar helpen we de hoogleraren mee”, zegt Klöpping. Hij raakte zelf geïnspireerd door de YouTube-colleges van Harvard-professor Recht Michael Sandel. „De meeste professoren zijn al goede sprekers, maar op hun eigen universiteit kunnen ze úren ouwehoeren. Bij ons moeten ze vijf colleges van een kwartier geven. Dat is nieuw voor ze.”

Met het in vijven knippen van alle voorstellingen komen ze aan zo’n 175 ‘colleges’. De vijf episodes sluiten op elkaar aan, maar moeten telkens een afgerond thema bevatten. Daarmee houdt de UvN zich aan een ‘format’. Eén hoogleraar paste ervoor, uitgerekend Maarten van Rossem. „Hij wilde anderhalf uur spreken en dat in één hele opname presenteren”, zegt Blankesteijn. „Dat gaat niet, ook hij moet zich aan ons format aanpassen. Anders komen we op een hellend vlak.”

Is dit nu een keuze voor de snackuniversiteit of universiteit light? Blankesteijn haalt zijn schouders op. „In vijf keer een kwartier word je natuurlijk geen doctorandus, maar ik heb elke avond veel geleerd.”

Uit onderzoeken blijkt dat het beeldscherm voor kennisoverdracht niet het ideale middel is, maar wel ondersteuning kan bieden. De kwaliteit van online onderwijs laat te wensen over, concluderen ook onderzoekers van Columbia University in New York. Studenten die online vakken volgden, waren gemiddeld beter voorbereid en gemotiveerd, maar stopten er desondanks vaker mee. „Je moet die video’s zien als een wervende introductie tot het betreffende vakgebied”, zegt Klöpping. „De hoogleraren maken hun publiek enthousiast, dat kan zich verder verdiepen. Wij verwijzen naar boeken en websites over het onderwerp. Misschien gaan we zelf ook boekjes maken of werkgroepen aanbieden.”

Via sociale media zal de UvN verder bijdragen aan een schifting tussen ‘opgehemelde’ en ‘impopulaire’ professoren. Die oordelen blijven waarschijnlijk voor eeuwig online, een onverbiddelijk aspect van internet. Blankesteijn en Klöpping zien het als a fact of life. „Nu wordt zichtbaar wat altijd al bekend was onder studenten: je hebt de profs voor wie je steevast om half negen in de collegebank zit, en de anderen die een zure plicht vormen.”

Zijn universiteiten niet juist dé plek waar academici hun geesten kunnen scherpen, ongestoord door de waan van de dag? „Tuurlijk,” zegt Blankesteijn. „De UvN is een massamedium waarmee een grote groep Nederlanders een béétje slimmer wordt op veel gebieden. Maar als je heel veel wilt leren over één onderwerp, dan ga je naar een echte universiteit.”

Universiteit van Nederland is vanaf 8 oktober te zien op www.universiteitvannederland.nl. Colleges direct volgen kan bij Air, Amstelstraat 16, Amsterdam.

    • Peter Olsthoorn