De hemel, nu ook geopend voor ongelovigen

De ongelovige hoeft de hel niet meer te vrezen, aldus paus Franciscus. Het eigen geweten is de morele leidraad. Wonderlijk, vindt Ian Buruma. Hoe kunnen we nog tot een nieuwe morele basis voor collectief gedrag komen?

Het is alsof een frisse wind door de muffe binnenkamers van het Vaticaan blaast. Paus Franciscus gedraagt zich als een gewoon mens. Hij leest de goede boeken: Dostojevski, Cervantes. En zijn uitlatingen over homoseksuelen zijn humaan, al blijft de doctrine van de kerk wat dit betreft hetzelfde als voorheen.

Maar de opmerkelijkste uitspraak van Franciscus, in een open brief aan het Italiaanse dagblad La Repubblica, geldt voor ongelovigen. De ongelovige, zo verzekert de paus, hoeft zich geen zorgen meer te maken over de hel, zolang hij zijn eigen geweten volgt. Zijn exacte formulering: „Gehoorzaamheid (aan ons geweten) betekent dat we zelf beslissen over goed en kwaad.”

Met andere woorden, God noch kerk is een noodzakelijke leidraad voor moreel menselijk gedrag. Ons geweten is voldoende. Zo ver zouden zelfs gelovige protestanten niet gaan, denk ik. Protestanten hebben geen priesters nodig om hun weg naar God te vinden. Maar volgens Franciscus kunnen we in principe God zelf ook afschaffen.

Zonder zich af en toe aan te passen aan de veranderende tijden had de rooms-katholieke kerk het nooit zo lang uitgehouden. En de woorden van de paus passen goed in ons extreem individualistische tijdperk. Maar het blijft een beetje wonderlijk. Tenslotte gaan gelovige christenen – en dat is Franciscus vermoedelijk toch wel – ervan uit dat kwesties van goed en kwaad, van ethiek en moraal, worden voorgeschreven door kerkdoctrine en heilige teksten. Christenen geloven dat hun idee van goed en kwaad berust op goddelijke openbaring. Moraal is niet alleen individueel, maar wordt door christenen geacht universeel te zijn.

Ik heb geen idee of Edward Snowden, de man die uit de school is geklapt over spionage van de Amerikaanse overheid op haar eigen burgers, in het christendom gelooft. Misschien is hij wel ongelovig. Maar hij voldoet hoe dan ook aan de definitie van de paus van een moreel mens. Snowden beweert dat hij heeft gehandeld volgens zijn geweten om „de fundamentele vrijheden van mensen over de hele wereld te beschermen”. Hij heeft, als het ware, in zijn eentje besloten wat goed voor ons is.

Misschien is het individuele geweten het enige waar we op aan kunnen voor ethisch gedrag in een seculiere samenleving. Als sacrale teksten ons niet meer kunnen overtuigen van wat goed of slecht is, dan moeten we het zelf maar uitzoeken.

De liberale democratie pretendeert niet eens dat het de rol van de kerk kan overnemen. Het is niet meer dan een politiek systeem om belangenconflicten op een vreedzame manier op te lossen. Vragen over moraal en de betekenis van het bestaan liggen buiten de competentie van democratische instellingen.

En toch is er altijd religieuze invloed op onze politiek geweest. De meeste Europese landen hebben christen-democratische partijen. Israël heeft een ultraorthodoxe partij. De Amerikaanse politiek is, vooral maar niet uitsluitend in de rechtse hoek, doordrenkt met christelijke dogma’s. En islamisten proberen de politiek in het Midden-Oosten naar hun religieuze hand te zetten, vaak op een wijze die met liberalisme niets te maken heeft.

Ook seculiere politieke ideologie heeft dikwijls een ethische component. Socialistische en communistische partijen hebben een haast even sterk idee van goed en kwaad en ons collectieve belang als de katholieke kerk. De sociaal-democratie in landen als Engeland heeft diepe wortels in het christendom.

Maar ondanks de enorme zege onlangs van Angela Merkels christen-democraten, is de invloed van het christelijk geloof op de Europese politiek flink minder geworden. Zo ook de ethische invloed van linkse ideologie, die na de val van het Sovjetrijk in de jaren tachtig enorm heeft ingeboet.

In plaats daarvan, na de sociale revoluties van de jaren zestig en de financiële ‘big bang’ van de jaren tachtig, hebben we nu een nieuw soort liberalisme, zonder enige morele basis, die gepaard gaat met een algemeen gevoel dat elke vorm van staatsinmenging een aanval is op onze individuele vrijheden.

In veel opzichten zijn we geen burgers meer, maar alleen nog maar consumenten. Silvio Berlusconi was door zijn ongebreidelde gedrag, in seks en financiën, de meest voorbeeldige politicus van ons neoliberale tijdperk.

Is het überhaupt nog mogelijk om tot een nieuwe morele basis te komen voor collectief gedrag? Sommige mensen zien internet als een moderne utopie, waarin netwerken van burgers ontstaan om de wereld te verbeteren. Daar zit iets in. Althans, in de zin dat mensen snel gemobiliseerd kunnen worden voor een goed doel. Zo werden veel Chinezen via internet opgetrommeld om de slachtoffers van een aardbeving te helpen, terwijl de Chinese regering het nieuws van de ramp nog probeerde te onderdrukken.

Maar in feite stuwt internet ons in de tegenovergestelde richting. Sociale media moedigen ons aan in ons narcistisch consumentengedrag; we lopen te koop met alles wat we ‘leuk’ vinden of niet. We delen details over onze individuele verlangens zonder werkelijk contact te hebben met anderen. Het lijkt me sterk dat we op deze manier tot een nieuwe morele basis voor collectief gedrag komen.

Daarentegen kunnen commerciële instellingen via internet alles te weten komen over wat we denken, doen, begeren. Die informatie wordt doorgegeven aan staatsorganen. En daarom voelde Edward Snowden zich door zijn geweten geroepen om staatsgeheimen te openbaren.

Wellicht heeft hij ons daarmee een dienst bewezen. Maar ik kan me nauwelijks voorstellen dat paus Franciscus in zijn poging een brug te slaan tussen zijn geloof en onze neoliberale maatschappij in de eerste plaats aan Edward Snowden heeft gedacht.

    • Ian Buruma