Wie is dat dan?

Voor een reportage in het tv-programma Nieuwsuur begaf ik me met regisseur Tonko Dop en cameraman Harry van de Westelaken naar het borstbeeld van Simon Carmiggelt in het Weteringplantsoen. Carmiggelt is komende maandag 100 jaar geleden geboren. Hij mag dan veel minder gelezen worden dan vroeger, dat is nog geen reden hem te vergeten.

Het beeld zag er nog goed uit, al was de blik van Carmiggelt er niet vrolijker op geworden. Maar gelukkig had het ellendige fietsslot dat onverlaten een poos geleden aan zijn bril hadden gehangen, geen sporen achtergelaten.

We overlegden kort. Was het zinvol shots te nemen van de gevel van de appartementen aan het plantsoen – zichtbaar vanaf het borstbeeld – waar hij jarenlang gewoond had? Tonko vond dat het weinig zou toevoegen, hij had liever dat ik op een bankje bij het beeld het begin voorlas uit de column Bezoek (uit Welverdiende onrust), waarin Carmiggelt zijn uitzicht op de Wetering beschreef.

Juist toen we aan de slag wilden, naderden drie mannen ons over het paadje dat langs het beeld voerde. Het waren nogal zorgeloos uitziende figuren, sjofel gekleed en luid en druk pratend. Ze leken ons zonder te groeten te willen passeren, maar plotseling hield de jongste van hen, een twintiger nog, stil. Hij had een fors, vlezig lichaam en een volkomen uitdrukkingsloos gezicht, alsof iemand er elk gevoel uit had gebeukt.

„Wat doen jullie hier?”, vroeg hij. Tonko wees op het beeld en legde uit dat we gingen filmen. De man keek naar het beeld en vroeg hard, maar toonloos: „Wie is dat?” „Simon Carmiggelt”, zei ik. „Wie is dat?”, vroeg hij.„Een man die stukjes in de krant schreef”, zei ik, „hij is al een hele tijd dood.” „En wat schreef hij dan?”, vroeg de man. „Columns, korte stukjes in de krant”, herhaalde ik. „En wie is dat dan?”, vroeg hij.

Hij was halsstarrig voor het beeld blijven staan, zijn kompanen waren doorgelopen en keken van een afstandje grinnikend toe. Hij had iets onverzettelijks, maar scheen niet goed te weten waartegen hij zich precies moest verzetten – misschien had hij ook daarom zo’n ondoorgrondelijk gezicht.

Een vage drankgeur dreef in onze richting.

„Nou, wie is dat dan?”, vroeg hij weer. Tonko nam het van mij over. „Simon Carmiggelt”, zei hij, „we maken een filmpje over hem.” „En wat deed die dan?”, vroeg de man. „Hij schreef columns”, zei Tonko. De man keek hem roerloos aan en vroeg: „En wat is dat dan?” „Stukjes in de krant”, zei Tonko. De man keek even naar het beeld. „En wie is dat dan?”

Tonko zweeg, hij had het opgegeven, net als ik. We wisten niet wat hem bezielde, wat hij van ons wilde. Er ging geen directe dreiging van hem uit, maar toch was het een onaangename situatie. Bovendien kon er niet gefilmd worden zolang hij daar stond.

Toen stapte Harry naar voren. Met het grootste geduld van de wereld begon hij omstandig uit te leggen wie Simon Carmiggelt was, wat zijn verdiensten waren geweest, waarom wij een filmpje over hem wilden maken, wie dat filmpje zou uitzenden enzovoorts. De man liet hem uitpraten, draaide zich toen zwijgend om en vervolgde eindelijk zijn weg. Wij haalden opgelucht adem.

„Je moet voorkomen dat zo iemand agressief wordt”, zei Harry.

„Het was net uit een stukje van Carmiggelt”, zei Tonko.

    • Frits Abrahams