Verwaarloosde oude vrouwtjes, eenzame lijken en ongedierte

In anekdotes beschrijft Henk Plenter zijn werk voor de GGD. Hij bezocht adressen waarover buren klaagden of waarvan de politie vermoedde dat er een lijk lag.

Detail van woning van een verslaafde Foto Dirk-Jan Visser

Henk Plenter had misschien wel de smerigste baan van Amsterdam. Een romanticus zou zeggen: ook de mooiste baan. Want Henk Plenter werkte, met alle opwekte kordaatheid die hem eigen is, in de ingewanden van de stad, hij raakte aan de ziel van haar inwoners. Maar smerig was het vooral.

Anders zou het Algemeen Nederlands Woordenboek het werkwoord ‘plenteren’ toch niet hebben opgenomen in zijn lemma’s: „Een huis ontruimen waarvan de bewoner of bewoners zoveel spullen hebben verzameld en opgeslagen dat het wonen erin of in de omgeving ervan een gevaar oplevert voor de volksgezondheid.”

Plenter ging uit naam van de GGD langs bij adressen waarover de buren klaagden, of waarvan de politie vermoedde dat er een lijk lag te rotten. Zo zag hij veertig jaar onbeschrijfelijke puinzooi, verwaarloosde oude vrouwtjes, eenzame lijken, huisdieren en ongedierte, pies en poep, en bergen oud papier en stapels afwas.

Nu heeft hij zijn herinneringen opgeschreven in Let niet op de rommel, naar een van de vele understatements waarmee Plenter en zijn collega’s van GGD, politie en dierenambulance vaak worden ontvangen.

Omdat het boek uit anekdotes bestaat, volgt hier een exemplarische. Bij meneer Martens, waar Henk Plenter eerst voor de dichte deur heeft staan ruiken. „Pittige stank.” Meneer Martens wil niet open doen: „Flauwekul allemaal.” Maar hij opent de deur uiteindelijk toch. Henk Plenter slaat een walm van verrotting tegemoet. Plenters vrouwelijke collega smeert een zalfje op haar bovenlip tegen de stank. „Zelf heb ik nooit een smeerseltje tegen de stank gebruikt”, schrijft Plenter, dan „zou ik niet meer zuiver kunnen ruiken. En dat is toch een van mijn specialiteiten.”

Op alles in het huis ligt een laag stof. De bewoner schuifelt door het huis. „Hij heeft geen schoenen aan, maar zwarte sokken [die] glimmen van het vet, het vlees is om de sokken gegroeid en er komen zelfs druppels uit.” Meneer Martens heeft voeten „die er eigenlijk af zouden moeten vallen”.

Behalve een scherpe reuk heeft Henk Plenter ook een heel precies waarnemingsvermogen en een goed geheugen, maar het boek zou een kale verzameling anekdotes zijn gebleven als het niet bijeen werd gehouden door zijn sterk ontwikkelde sociaal gevoel. Let niet op de rommel is een geschiedenis van het leven in de snel veranderende volksbuurten in een stad die weliswaar floreert, maar veel minder sociale cohesie heeft dan vroeger. De dienst waar Plenter zijn werkzaamheden in 2011 afsloot heet niet voor niets Vangnet en advies.

Henk Plenter en Annemiek van Kessel, Let niet op de rommel. Uitgeverij Luitingh-Sijthoff. 256 blz. € 16,95

    • Bas Blokker