Nagalm in oortje als hoortest

Dankzij vroege opsporing van doofheid krijgen dove kinderen eerder een implantaat. Ze komen zo beter mee in het onderwijs.

Een arts meet met een gehoortest of het gehoor van een pasgeboren baby in orde is. In Nederland worden jaarlijks 180.000 pasgeborenen op deze manier getest. Foto ANP

Dove en slechthorende kinderen kunnen zich steeds beter handhaven in het reguliere onderwijs. Dat is vooral te danken aan de vroege opsporing van ernstige gehoorstoornissen, waardoor dove of slechthorende baby’s tegenwoordig al een passende behandeling krijgen voordat zij zes maanden oud zijn. Vaak kunnen zij al vroeg een cochleair implantaat krijgen waardoor zij de cruciale fase in de ontwikkeling waarbij spraak en taal tot stand komen niet hoeven te missen.

Dat concludeert onderzoekster Noëlle Uilenburg van de Nederlandse Stichting voor het Dove en Slechthorende Kind (NDSK). Vandaag presenteert deze organisatie op een symposium in Doorn de uitkomsten van tien jaar neonatale gehoorscreening, waarin jaarlijks 180.000 pasgeborenen in Nederland worden getest.

De introductie van gehoorscreening bij pasgeborenen heeft de gezondheidszorg voor dove en slechthorende kinderen op zijn kop gezet, zegt Uilenburg. „Audiologische centra waren bijvoorbeeld gewend dreumesen en kleuters te onderzoeken, kinderen die al konden lopen. Maar nu hebben zij ineens te maken gekregen met baby’s op de onderzoekstafel.”

Jaarlijks worden op deze manier bij één op de duizend kinderen ernstige gehoorstoornissen opgespoord. Die kinderen komen in principe allemaal in aanmerking voor een cochleair implantaat (CI), maar of zij die krijgen hangt af van de mate van het gehoorverlies en of er een ernstige bijkomende handicap is waardoor zo’n implantaat niet geschikt is. Bij minder ernstige gehoorstoornissen kan een gewoon hoortoestel (in wezen een geluidsversterker) al voldoende soelaas bieden.

Eerste verjaardag

Als kinderen een CI krijgen, is dat geen garantie dat het aanslaat, zegt Uilenburg. „Wel blijkt dat die kans het grootst is als kinderen heel jong geïmplanteerd worden, het liefst rond hun eerste verjaardag. Dan kunnen ze meekomen met normaal horende kinderen.”

Dat blijkt bijvoorbeeld uit recent onderzoek van logopedisten Margreet Langereis en Anneke Vermeulen van het Radboud Universitair Medisch Centrum in Nijmegen. Hierin kwam naar voren dat de meeste dove en slechthorende kinderen die voor hun tweede jaar een CI kregen vijf jaar later voldoende kunnen meekomen in het reguliere onderwijs. Bij driekwart van deze kinderen is hun gesproken taalvaardigheid even goed of beter dan die van horende klasgenoten. Ook hun leesvaardigheid was op niveau. Dankzij de vroege implantatie konden zij vrijwel alle spraakklanken herkennen. Kinderen die op latere leeftijd een CI hadden gekregen, lieten een grotere spreiding zien in taalbegrip. Dit toont aan hoe belangrijk het is om er vroeg bij te zijn, zegt Uilenburg.

Toen het programma tien jaar geleden werd ingevoerd werd het gehoor van Nederlandse kinderen gescreend op een leeftijd van negen maanden. Maar die gehoortesten waren minder betrouwbaar dan de neonatale screening, die ook kinderen met minder ernstig gehoorverlies eruit pikt, zegt Uilenburg. „Daarvoor gebeurde het wel eens dat pas op de basisschool ontdekt werd dat er iets geks met een kind aan de hand was, soms werd er ook getwijfeld aan de intellectuele vermogens van een kind”

Zeker is dat iemand met een CI minder hoort dan normaal, „Het aantal elektroden is immers beperkter dan het aantal zenuwuiteinden in het slakkenhuis”, maar de kwaliteit verbetert snel. „Mensen die op latere leeftijd doof werden en nu een CI hebben zeggen dat geluid wat blikkerig klinkt en dat ze mensen horen praten met een Mickey Mouse-stem. Maar de nieuwe apparaten zijn zo goed dat mensen weer met plezier naar klassieke muziek luisteren.’

De toegenomen toepassing van implantaten heeft er wel toe geleid dat er in de begeleiding van dove en slechthorende kinderen meer nadruk ligt op gesproken taal. „Dat is ook de wens van de ouders”, zegt Uilenburg, „Maar het leidt er wel toe dat er minder gebarentaal wordt gebruikt.”