Ik ben een collega van mijn collega’s. Ik zit erbij en doe mee

Vanavond debatteert de Tweede Kamer over asielzoekers Maral Noshad Sharifi werd twintig jaar geleden met open armen ontvangen De sfeer is sindsdien flink veranderd

verslaggever

Toen ik als vierjarige mijn klaslokaal in liep, keek ik verbaasd om me heen: al mijn klasgenootjes waren vrolijk. Ik had toen net een half jaar in een asielzoekerscentrum gezeten, daarvoor had ik een vlucht van twee maanden achter de rug. Mijn moeder en ik waren Iran ontvlucht. Zij was 29 jaar oud en hoogzwanger van mijn broertje. We vluchtten over land, door de bossen, met hulp van smokkelaars.

Als kind denk je dat iedereen net zo is als jijzelf. Ik dacht dat al mijn klasgenoten, net als ik, in Iran waren geboren. En dat ook zij met hun moeder naar Nederland waren gevlucht.

Daarom vond ik het zo bijzonder dat zij nog zo speels en blij konden zijn. Zouden zij ook onderweg in Ljubljana in de gevangenis hebben gezeten? En daar met hun vingers hun tanden hebben gepoetst?

Pas toen mijn klasgenootjes mij vroegen waar ik vandaan kwam, begreep ik dat ik een andere achtergrond had dan zij.

Twintig jaar later, oktober 2013, loop ik ’s ochtends zo casual mogelijk het gebouw binnen waar heel groot NRC op staat. Vanochtend zat ik bij de redactievergadering van deze krant, waar ik nu als redacteur werk. We bespreken de krant van vandaag en van de komende dagen. Ik ben een collega van mijn collega’s. Ik zit er bij. Ik doe mee.

Maar aan geluk kun je nooit wennen. Als je de verhalen over vluchtelingenkinderen leest die in detentiecentra zitten, schaam je je voor je privileges. En je schaamt je voor dit nieuwe land waar je nu bij hoort.

Je leest over kinderen die net als ik hier zijn opgegroeid, niet meer dan een tijdelijke verblijfsstatus krijgen en ieder moment met hun familie kunnen worden teruggestuurd naar delen van de wereld die niet binnen hun referentiekader passen. Plekken waar veel geweld plaatsvindt, bomaanslagen worden gepleegd en waar ze middeleeuwse denkbeelden hebben over de positie van vrouwen en kinderen.

Toevallig een paar jaar later

Het zijn mensen die toevallig een paar jaar later dan ik naar dit land zijn gekomen. Waarom heb ik het zo goed en hebben zij het zo slecht, terwijl wij dezelfde kansen zochten?

Het maakt niet uit hoe erg je het hebt gehad voordat je in Nederland aankomt, het gaat erom wat er met je gebeurt als je eenmaal hier bent. Bijna al mijn Iraanse vrienden die in dezelfde tijd als ik naar Nederland vluchtten, hebben verschrikkelijke dingen gezien en meegemaakt. Het ene verhaal is tragischer dan het andere, maar intussen zijn zij allemaal universitair geschoold en hebben ze een goede baan. Nou komt dat natuurlijk ook doordat hun ouders relatief hoog opgeleid zijn, maar de wijze waarop je wordt behandeld na aankomst is pas echt bepalend voor hoe je toekomst er uit ziet.

Toen wij in 1993 asiel aanvroegen, kregen we na zes maanden een verblijfsvergunning en drie jaar later een Nederlands paspoort. We kregen een huisje aangewezen in een gereformeerd dorpje waar wij met open armen werden ontvangen. Het was prima dat mijn moeder bij elke gelegenheid bij de buurman voor de deur stond om gereedschap te lenen of om te vragen wat de Kinderpostzegelactie inhield.

Mijn moeder kon de taal leren, opnieuw studeren, kreeg maandelijks oppasgeld, haar reiskosten werden vergoed, ze ontving boekengeld en werkte na een aantal jaar als verpleegster in het ziekenhuis. In de tussentijd behaalde ze een master orthopedagogiek, schreef ze een ondernemingsplan en nu runt ze al meer dan tien jaar een internationaal kinderdagverblijf.

Nou is mijn moeder een sterke vrouw en heeft ze een hoge dosis doorzettingsvermogen. Maar ze heeft ook kansen gehad om dat te ontplooien.

Makkelijk was het niet. Zij heeft verschrikkelijke herinneringen en trauma’s overgehouden aan onze vlucht naar Nederland. De angst. De onzekerheid. Mijn moeder wist niets af van de wereld waar ze naartoe ging. In het asielzoekerscentrum was ze omringd door honderden mensen met diezelfde pijn, ook een wereld die ze niet kende. Ik mocht daar bijvoorbeeld nooit met de Afrikaanse kindjes spelen. Mijn moeder zag hen het vaakst het zaaltje inlopen waar ‘Legal Aid’ boven stond. Zij dacht dat het stond voor legale aids of zoiets. Wist zij veel.

We zaten er gelukkig maar een half jaar. Als wij daar jaren in onzekerheid hadden geleefd, dan zou mijn moeder niet de mentale gezondheid hebben gehouden om iets van haar leven te maken. Dan had zij niet de kans gekregen om mij vooruit te helpen. Uit onderzoeken onder vluchtelingen blijkt dat hoe langer mensen in onzekerheid leven, hoe zieker ze ervan worden: je bent niet in staat je studie af te maken en een baan te vinden, je wordt afhankelijk van een uitkering. Het wordt steeds moeilijker iets van je leven te maken.

Ik heb de kans om dit verhaal te schrijven, en ik hoop dat hetzelfde Nederland dat mij hier na twintig jaar verblijf heeft geholpen aan twee masters, een Fulbright-beurs en een mooie baan, ook al die andere vierjarigen wil helpen die nieuwsgierig en verbaasd hun klaslokaal inlopen.

    • Maral Noshad Sharifi