De atlasvlinder

Bibi Dumon Tak en Fleur van der Weel storten zich op nachtdieren, na de gewone dieren in Bibi’s doodgewone dierenboek.

Dit houd je toch niet voor mogelijk? Hoe gemeen kan het leven zijn? Hoe hopeloos vals en gemeen? Nou, dat is voor de natuur geen probleem, hoor. Die verzint het ene na het andere zielige dier, en het kan altijd nog een tikkie zieliger, de natuur staat voor niets.

Neem de atlasvlinder. Die sierlijke gratie uit Azië. Ze is de grootste nachtvlinder op aarde. Ze is een wapperende fee die in het donker haar parfum verspreidt om een man te lokken. En als die man dan komt aangezeild op zijn vleugels groot als waaiers, dan duurt hun verloving maar heel kort. Er moeten kinderen komen, en snel, voor hun vuur alweer is gedoofd.

De eitjes van de atlasvlinder doen er bijna twee weken over om uit te komen. De rupsen leven daarna veertig dagen. Veertig dagen waarin ze vreten wat ze vreten kunnen, tot ze zich verpoppen. Drie hele weken hangen ze als mummies in de boom om daarna als schitterende vlinders uit hun cocon te barsten. Wat een werk. Wat een moed. Wat een energie. En dan komt dus die rottige en lamlendige natuur om het hoekje kijken: die kleurige kunstwerken, die vliegers van zijde en fluweel hebben geen mond gekregen.

Wat?

Ze hebben ook geen tong gekregen van die snotterige snertnatuur. Atlasvinders kunnen hun schoonheid niet lang vieren want wie niet eet en drinkt die sterft. En de natuur? Die zit er er niet mee. Die is druk met het bedenken van een nóg zieliger dier.