Best eng

Tosca Niterink en Anita Janssen lopen de Caminho da Fé, een pelgrimsroute in Brazilië, en doen verslag in woord en beeld.

‘Kijk nou”, riep Annie. „Wat is dat?”, gorgelde ik bezorgd. Ik zag zo’n kop zonder iets. „’t Is een hond of een hert. Iets met een blonde kop en grote lieve ogen.” Was het diertje door een brug gezakt en had het dringend hulp nodig? Maar er was geen brug, enkel die kop in het zand. We kwamen dichterbij. De kop bleek van een jong rund, overgebleven na een gierenfeestmaal.

Niets is in Brazilië wat het lijkt. We zijn inmiddels de provincie São Paulo uit en lopen door het Minas Geraisgebergte, in de gelijknamige provincie. Prachtig is het hier met enorme bergen, oerwouden, watervallen en lieve dorpjes. En de hele dag hoor je een groot, gevarieerd vogelconcert.

Achter de pousada waar we hier in Tocos de Moji logeren, zit een prachtige groene papegaai in een heel klein kooitje. Deze lieve vogel begint al bij het eerste krieken een presentielijst af te werken van alle vogels die hij vanachter de schutting kan horen. Dat zijn er honderden. „Fuut fuut”, doet-ie eerst. Daarna – om maar eens een een bekend vogelgeluid te nemen – „kukeleku”. En dan wacht-ie tot ie ergens kukeleku hoort.

Dan gaat-ie verder. „Fuut fuut, kikki dee.” Tot ergens in de verte klinkt: „Kikki dee.” Zo werkt de vogel uren lang zijn lijst af, tot-ie ze allemaal heeft gehad. Ik kan het weten, want ik slaap ernaast.

Vanavond vloog er een rare vogel naar binnen. Het was al donker en wild fladderend kwam er door het raam iets op ons af. Een duif? We trekken al een paar dagen met een bioloog op die nog bij zijn moeder woont – en die ons begint te irriteren, want hij weet namelijk alles – en die zei: „Dit is een mariposa.

Hij ving hem in een plastic zak en liet hem onbeschadigd naar buiten. Dat vond ik tof van hem. Het was trouwens dezelfde plastic zak waar hij onder het wandelen steeds op gaat zitten om de door zijn moeder in de plooi gestreken afritsbroek niet vies te maken.

Hij is erg gelovig, zeker voor een bioloog, en heeft het steeds over ‘we’, terwijl we elkaar pas drie dagen kennen. Iedereen is hier gelovig, daar niet van. „Loop je de Caminho da Fé?”, vroeg me net een vrouw met een grote boezem. „Ja”, zei ik bescheiden. „O”, ging ze verder, „Dan moet ik je omhelzen.” En ze drukte me bijna dood. Ik hoop dat ik er niet eng van ga dromen.

Brazilië is best eng – niet qua mensen die zijn best lief – maar achterop de pakjes sigaretten staan van die rare dingen om mensen het roken tegen te maken. Bijvoorbeeld een foetus in een asbak, of een openhartoperatie met de klemmen er nog in, waardoor te zien is dat de cardioloog zijn asbak in de wond heeft leeggegooid. Je kan ook te ver gaan met je woede tegen rokende hartpatiënten.

Trouwens, had ik dat al verteld? Er zitten hier boa constrictors. Zijn wij even blij dat we de tent naar huis hebben gestuurd .