Zalig onwetend op een tikkende tijdbom

Op de foto zit mijn oma op een hekje. Aan haar voeten hurken twintig kleuters. De meisjes dragen een witte strik in hun haar; de jongens hebben witte kniebroeken aan. Mijn oma draagt een mouwloze jurk en lacht breed naar de camera. Soerabaya, eerste helft van de jaren dertig.

Volkomen onwetend is mijn oma, kleuterjuf en dochter van een plantagehouder uit Malang, van wat haar allemaal boven het hoofd hangt. Dat geldt ook voor mijn opa, een Nederlandse marineofficier die is uitgezonden naar Nederlands-Indië, en die op de volgende foto’s al even hard lacht als mijn oma.

Ze zijn de enigen niet. In de expositie Sluimerend Vuur. Verhalen uit Nederlands-Indië 1900-1940 wemelt het van de onwetende Europeanen en Indo-Europeanen, die niet weten wat hun boven het hoofd hangt: oorlog, jappenkampen, dekolonisatie. In amateurfilmpjes, geschoten in schokkerig zwart-wit, trouwen ze en krijgen ze kinderen, laten ze trots hun huizen, fabrieken en plantages zien en maken ze uitstapjes naar inlandse dorpen, waar ze exotische danseressen en halfnaakte waterdraagsters in de kampong filmen. Van naderend onheil is niets te merken.

Het is het handelsmerk van de Hongaarse kunstenaar Peter Forgacs: het tonen van doorsnee levens van doorsnee mensen die onwetend aan de vooravond van een grote omwenteling in de geschiedenis staan. Eerder verzamelde en bewerkte hij homevideo’s uit Hongarije en uit joods Polen. Het patroon is, ongeacht de geografische ligging, hetzelfde: kinderstapjes, verjaardagstaarten, onhandige dansjes in de tuin, verlegen zoenen achter het aanrecht.

Voor Sluimerend Vuur maakte Forgacs gebruik van amateurfilmpjes uit het archief van het Nederlands filmmuseum, en van dagboeken en brieven uit de kasten van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde. Toch zijn het geen documentaires. De Hongaar vergelijkt zich niet met andere filmmakers, hij is een componist. „Ik componeer met beelden”, zegt hij door de telefoon. „Ik maak orkestraties: van beelden, personen, kleuren, letters, muziek.”

Die orkestraties vertegenwoordigen uitsluitend de visie van de bemiddelde koloniaal. Logisch, zegt Forgacs, want filmcamera’s waren duur, die konden alleen door de Europese midden- en hogere klasse worden betaald.

Forgacs kiest ervoor de gevonden amateurbeelden op geraffineerde wijze tegenover elkaar te zetten, aangevuld met gesproken fragmenten uit dagboeken. Dat levert soms een clichébeeld op, bijvoorbeeld als aan de ene kant de grote oceaanschepen arriveren, hun loopplanken braken tientallen Hollanders uit, de vrouwen hebben bloemetjesjurken aan en pothoedjes op, terwijl aan de andere kant een prauw langs armzalige woonbootjes op de kali vaart.

Maar vaker levert het een onbehaaglijke confrontatie op, een onaangenaam schuren over de huid. Dan zie je een Chinees. Met zijn witte pak en strakke scheiding heeft hij zich opgewerkt tot de Europese hogere klasse; thuis spreekt het gezin zelfs Nederlands. „We wekken de afgunst van de lokale bevolking”, klinkt het.

Of je ziet een Indo-Europese jonge vrouw. Van jongs af aan wordt haar opgedragen haar exotische sensualiteit te gebruiken om zo een Nederlandse man te trouwen. Alles beter dan een inlander, tenslotte. „Kam je haar, Europese mannen houden van lang, dik haar’, zei mijn moeder.”

Je wilt roepen, schreeuwen, waarschuwen. Want je weet: dit gaat niet goed. Maar je weet het alleen maar omdat je de geschiedenis kent. Omdat je weet hebt van jappenkamp, Birma-spoorlijn en Bersiap. Omdat je weet hebt van de martelingen in de Simpangsche Sociëteit in Soerabaya waar nationalisten in 1945 in de kelder vijftig (Indo-)Europese mannen vermoordden. Omdat je weet hebt van de slachtpartij in het dorp Rawagede, waar Nederlanders in een wraakoefening in 1947 tientallen dorpelingen ombrachten.

Indië bestaat niet meer. Het land dat Peter Forgacs laat zien in zijn ‘orkestraties’, is verdwenen. In Jakarta, op het plein waar eens het stadhuis stond en waar openbare terechtstellingen plaatsvonden en waar nu het historisch museum is gevestigd, betalen Indonesische toeristen geld om op oude omafietsen rondjes te mogen rijden. De mannen met een tropenhelm en de vrouwen met een flamboyante zonnehoed op, in een poging de dagen uit de schokkerige zwart-witfilms van Forgacs te doen herleven.

Ze hebben geen idee. Die dagen zijn verdwenen. Al lang. Ze bestaan alleen nog in onze herinnering. En op amateurfilmpjes.

Sluimerend Vuur. Verhalen uit Nederlands-Indië 1900-1940, van 5 okt. t/m 1 dec. in Eye, Amsterdam. Inl: www.eye.nl Meer over de expositie in culturele talkshow Podium Pitch, 12 oktober in NRC Restaurant, Amsterdam. Inl: podiumpitch.nl

    • Yaël Vinckx