Klijnsma’s ‘polderpensioen’: een zwaai met draagvlak

We krijgen een polderpensioen. Staatssecretaris Jetta Klijnsma (Sociale Zaken, PvdA) kiest voor de middenweg, liet ze gisteren in een brief aan de Tweede Kamer weten. Geen risicovol ‘casinopensioen’, geen gegarandeerd pensioen, maar iets er tussenin. Helder, eenduidig en goed voor jong en oud, zei Klijnsma.

Het klinkt zo simpel, zo Hollands. Je zou haast vergeten dat de FNV, de grootste vakcentrale van het land met 1,4 miljoen leden, bijna scheurde na het pensioenakkoord in 2011. En dat FNV-voorzitter Agnes Jongerius en voorzitter Henk van der Kolk van Bondgenoten, de grootste vakbond binnen de FNV, na hun onderlinge machtsstrijd maar zijn opgestapt.

Het kabinet had beide kampen afgelopen zomer iets te bieden. De voorlopige uitwerking van het pensioenakkoord had twee modellen opgeleverd. Voor de tegenstanders van het ‘casinopensioen’ – een effectief mantra van FNV Bondgenoten – zou gewoon het huidige ‘nominale’ contract met een vastgelegd pensioen blijven. Nieuw was het ‘reële contract’ met meer risico’s, maar dat door de tijd wel met de lonen mee zou stijgen (indexatie).

Beide modellen boden oplossingen voor de problemen waar het huidige pensioenstelsel mee kampt, aldus Klijnsma. Er zijn meer ouderen en mensen leven langer, waardoor pensioenfondsen meer geld moeten uitkeren. Om dat te kunnen doen zijn ze meer en risicovoller gaan beleggen en kwetsbaarder geworden voor schokken op de financiële markten.

Maar beide modellen hadden ook hun eigen nadelen. Het nominale contract gebood pensioenfondsen tot voorzichtiger beleggen, waardoor er uiteindelijk te weinig rendement zou zijn om werkenden en gepensioneerden voor inflatie te compenseren. En het reële contract ambieerde wel meer koopkrachtbehoud, maar gaf uiteindelijk geen enkele garantie.

Met de keuze voor één tussenvariant lijkt het alsof staatssecretaris Klijnsma voor een T-splitsing op het laatste moment rechtsomkeert heeft gemaakt. Maar tactisch gezien heeft ze zich vooraf al van breed draagvlak voor een ommezwaai verzekerd.

Toen Klijnsma de twee modellen in juli op internet zette om advies van de buitenwereld in te winnen, liet ze bijna terloops al ruimte voor een tussenvariant. Ze kreeg in totaal 131 reacties. Daar zaten „best pittige” bij, zei ze vorige maand op een seminar van De Nederlandsche Bank. Eén lezer hekelde de „onleesbare ambtelijke taal”.

Maar met de twee modellen schetste het kabinet ook de kaders waarbinnen alle belangengroepen zélf een oplossing konden aandragen. Die partijen zochten elkaar weer op om een gezamenlijke lobby te voeren. Zo traden de Pensioenfederatie (350 aangesloten fondsen), de FNV, werkgeversorganisatie VNO-NCW en ouderen- en jongerenorganisaties afgelopen maand eensgezind naar buiten met één voorkeur: een polderpensioen.

De tussenvariant heeft ook een slimme uitstraling. Voor de bevolking lijkt niet al te veel te veranderen. Pensioenfondsen krijgen toch genoeg speelruimte in hun beleggingsbeleid.

Maar de twee grootste spelers in de pensioensector, ambtenarenfonds ABP (2,8 miljoen deelnemers) en Zorg en Welzijn (2,5 miljoen deelnemers), zijn tegen. Zij willen een reëel pensioen met meer koopkrachtbehoud. ABP-bestuursvoorzitter Henk Brouwer noemt de tussenvariant „een spagaat”. Directeur Peter Borgdorff van Zorg en Welzijn vraagt zich af hoe een gegarandeerd pensioen valt te combineren met totale beleggingsvrijheid.

Klijnsma moet het wetsvoorstel eerst uitwerken, aan de Raad van State voorleggen en dan door de Tweede en Eerste Kamer zien te loodsen. Op 1 januari 2015, jaren na de onderliggende pensioenakkoorden van 2010 en 2011, zou Nederland dan een nieuw pensioenstelsel moeten hebben. Maar ‘gepolder’ over de details zou nog best wat vertraging kunnen opleveren.

    • Eppo König