Kasteelheer zonder rust

Op de vacature voor de nieuwe bewoner van Slot Loevestein reageerden ruim achthonderd sollicitanten. De vesting is prachtig, maar een droombaan is het niet.

Geen eenzaamheid in Slot Loevestein: binnen de wal is een dorpje met huisjes, horeca, bouwvakkers en veel bezoekers. Foto Merlin Daleman

Na een paar kilometer rijden door de druilerige, verlaten polder, tekent het kasteel zich af tegen de horizon. Dikke, hoge muren van baksteen, zes eeuwen oud, een vestingwal rondom met daarachter een enorme watermassa, op de plek waar de Waal de Merwede wordt.

De vorige bewoner, Mylan Lin, had me gewaarschuwd: „Probeer voorbij de romantiek te kijken, het kan er flink eenzaam zijn.” En inderdaad, Slot Loevestein ziet er ietwat afstandelijk en kil uit in de herfstregen. Toch is dat niet de reden dat hij en zijn vrouw Manon de vesting verlieten. Ze konden elders iets nieuws beginnen. „We missen het”, zei Lin. „In een mooier huis zullen we nooit wonen.”

Dus was er een vacature. Eén van ’s lands bekendste kastelen zocht een bewoner. Ruim 800 mensen reageerden. Ik niet. Ik heb het kort overwogen en liet de deadline verstrijken. Momenteel worden gesprekken gevoerd met de kandidaten. Toch bleef het knagen. Liep ik een droombaan als kasteelheer mis? Om het zeker te weten, mogen we komen proefwonen op Loevestein.

Omdat de vacature expliciet om een stel vraagt, ben ik hier met mijn vriendin en ons zoontje van zes weken oud; een complicerende factor. Krijg zo’n kinderwagen maar eens de smalle stenen trappen op. We hebben het alvast even nagevraagd: als hij over een paar jaar naar school gaat, kan dat op zeven kilometer afstand. Als we een school willen die niet streng gereformeerd is, is het nog een dorp verder.

Zodra we de brug van de vesting overgaan, ben ik Lins waarschuwing vergeten. Niks eenzaamheid. Binnen de wal is een klein dorpje met soldatenhuisjes, horeca, bouwvakkers voor de renovatie en bezoekers die hier komen voor verhalen over ridders, soldaten en Hugo de Groot. Het achttiende-eeuwse huis direct naast de poort, de oude herberg, is van de kasteelheer. Momenteel woont de directrice, Ien Stijns, er tijdelijk.„Het zijn niet de werkzaamheden die deze vacature zwaar maken, het is het wonen zelf”, zegt Stijns. „Je bent publiek bezit. Bezoekers hebben al in mijn keuken gestaan en elke dag plakken er gezichten tegen mijn woonkamerraam.”

Er moet altijd iemand op de vesting zijn. De enige vrijheid die Stijns zich soms veroorlooft, is na sluitingstijd, rond zes uur, even te wandelen door de polder. Als er alarmen afgaan, krijgt ze een melding op haar mobiel. De vorige beheerder had regelmatig om vier uur ’s nachts de brandweer op bezoek, als een vleermuis één van de 140 brandmelders had geactiveerd. „Ik zag het wel zitten en mijn zoontje van acht ook, maar mijn vrouw en die van zes niet”, zegt Hans van Schijndel die voorlopig sommige beheerderstaken waarneemt. Hij heeft niet gesolliciteerd. „Mijn kinderen houden van skelters en skateboards, dat past niet in de museale omgeving.”

Misschien is kasteelheer geen ideaal beroep voor een jonge vader. Maar als rond half zes de bezoekers en werklui vertrekken en de vogels bezit nemen van de vesting, daalt er een prachtige rust neer. Alleen het brommen van de vrachtschepen over de Waal gaat door. Als de schemering valt, worden de zwaluwen vleermuizen. Het eeuwenoude kasteel torent vaal verlicht tientallen meters omhoog. Ik loop een rondje over de fortwal. Ganzen en aalscholvers zoeken hun slaapplek op.

De sereniteit is van korte duur. De volgende ochtend starten de renovatiewerkzaamheden om zeven uur. Een nieuwe dag voor de kasteelheer. Het slot moet van slot voor de rondleiding. Dit is een afgelegen plek zonder privacy. Voor echte rust moet een kasteelheer hopen op hoogwater. Dan is Loevestein soms een week onbereikbaar.

    • Leendert van der Valk