Heb uw monsters lief!

We protesteren tegen intensieve landbouw en we omarmen ‘small is beautiful’. Maar, betoogt Pepijn Vloemans , je kunt de problemen ook gewoon accepteren en ze te lijf gaan.

Een bulldozer aan het werk bij een kolenmijn in Kentucky. 40 procent van de uitstoot van CO2 in de VS komt door kolen. Het is de meest vervuilende energiebron. Foto AFP

In 1818, twee jaar nadat Mary Shelley in een zomer bij Lord Byron aan het meer van Genève de ingeving kreeg, verscheen haar bestseller Frankenstein: or, the modern Prometheus. Het verhaal is bekend: Victor Frankenstein, een wat eenzame Zwitserse student, knutselt in een Duits laboratorium aan een ‘wezen’ dat hem gezelschap moet houden. Wanneer dit wezen onbedoeld vroegtijdig tot leven gewekt wordt – en in eerste instantie zelfs vriendelijk naar Victor lacht – vlucht Frankenstein in paniek weg voor zijn afstotelijke creatie. Onbegrepen en ongeliefd richt het monster vervolgens een bloedbad aan onder Frankensteins vrienden en familie.

Bijna twee eeuwen later is ‘Frankenstein’ een synoniem geworden van het monster dat hij voortbracht – en alles wat er mis is met de voedselindustrie. Nergens resoneert Frankensteins echo namelijk sterker dan in de ‘Frankenfoods’ – genetisch gemodificeerde planten en dieren (gmo’s). Maar Frankensteins mythe staat symbool voor een breder gevoelde afkeer van de monsters die de industrialisatie van onze landbouw heeft gebaard. Niet onterecht: de schandalen en misstanden door schaalvergroting, ketenverlenging en prijsconcurrentie zijn talrijk. Biefstuk dat paard bleek, BSE-besmetting, dioxine-vergiftiging, SARS-virus, hormonenmaffia, antibiotica, plofkip en salmonella zijn een paar steekwoorden van de laatste twee decennia. Om over de consequenties voor dier en milieu niet te beginnen: monoculturen en verlies aan biodiversiteit, pesticiden in de voedselketen, bijensterfte en door kunstmest veroorzaakte ‘dode zones’ waar vissen massaal sterven voor de kust. Oh, en dan vergeet ik nog de CO2-uitstoot van landbouw. En waterschaarste. En verzilting van landbouwgrond. Documentaires als Meat the Truth, Fastfood Nation, Our daily bread en Food, inc. maken ondertussen de latente gevoelens van ongemak expliciet. We kijken ernaar en gruwelen alsof het monster van Frankenstein naar ons terug kijkt.

Het is dus best logisch dat we nu verlangen naar eten dat herkenbaar is en onder goede omstandigheden wordt geproduceerd. En dat heeft de markt inmiddels ook begrepen. Er is inmiddels niet meer aan te ontkomen: natuurlijk, lokaal, biologisch eten. Kaas uit de regio. Beesten – liefst met namen – uit de buurt. ‘Eerlijk eten’ is overal, van de Albert Heijn tot de Aldi, van Puur & Eerlijk tot Brandt & Levie. De houten kratten in de biologische supermarkt Marqt geven de stadsmens het gevoel op een boerenmarkt te staan. Biologisch, organisch, fair trade en vers verzekeren een herkomst vrij van uitbuiting, gif en dierenleed. Het goede boerenleven, gezondheid, milieu en dierenwelzijn gaan hand in hand. Het is prachtige agro-romantiek die net als Boer zoekt vrouw weinig mensen onberoerd laat.

Hedonistische bewegingen

Klein is het nieuwe groot, zegt de duurzaam bankierende Triodos Bank trots. Natuurlijk is dit niet nieuw. Al sinds de opkomst van het industriële tijdperk – toen de wereld snel begon te veranderen – protesteerden ‘romantici’ tegen het verlies van bestaande gebruiken en tegen de toenemende efficiëntie en snelheid. Neem Ernst Schumachers Small is Beautiful, a study of economics as if people mattered (1973). Volgens Times Literary Supplement is het één van de honderd invloedrijkste naoorlogse boeken. De geitenwollensokkenlucht stijgt op uit de pagina’s. „Als het doel van kleding een bepaalde hoeveelheid warmtecomfort is en een aantrekkelijke aanblik”, schrijft Schumacher, dan „zou het erg oneconomisch zijn, bijvoorbeeld, om gecompliceerde kleding te snijden, zoals in het moderne Westen, wanneer een veel mooier effect bereikt kan worden met het kundig draperen van ongesneden materiaal.” Waar Schumacher een romanticus blijkt die met Oosterse eenvoud en matiging dweept – hij is tevens uitvinder van ‘Budda Economics’ – zijn de protesten tegen ‘groot’ en ‘industrieel’ vandaag een stuk gelikter georganiseerd. Urban gardening, de youth food movement en slow food zijn hedonistischer en esthetischere bewegingen die steeds meer mensen aanspreken.

Daarom is de vraag of deze bewegingen een punt hebben terecht. Onlangs schreef Ralf Bodelier in Trouw dat lokale en biologische voedselproductie de wereld niet gaat redden. Sterker: het is gevaarlijk om dat te denken. Alleen het voortdurend blijven intensiveren (lees: industrialiseren) van landbouw is de manier om de wereld van eten te voorzien én, paradox, het milieu te redden. De reden is dat biologische landbouw – kleinschalig, zonder pesticiden en zonder kunstmest – minder efficiënt is en daarom meer hectares landbouwgrond vergt. Het resultaat daarvan is dat er meer bos gekapt moet worden. En dat wilden we juist redden. Bodelier voegt zich met deze analyse in de gelederen van een groeiend legioen landbouwdeskundigen van de ‘Wageningen school’ – zoals Aalt Dijkhuizen en Louise Fresco. Zij constateren dat we vóór 2050 de hoeveelheid voedsel wereldwijd moeten verdubbelen omdat zich twee miljard mensen bij de wereldbevolking voegen en er een middenklasse opstaat die naar luxer eten verlangt.

Het is een pijnlijke boodschap. Voelde het net zo goed om je te verzetten tegen Frankenfoods, blijkt dat genetische manipulatie van gewassen tegen insecten of extreme weersomstandigheden een doorslaggevende rol kan spelen in het voeden van de wereld. Het afzweren van genetische manipulatie is dus eigenlijk milieuonvriendelijk. Dacht je net goed bezig te zijn door biologische producten te kopen, blijkt dat er meer landbouwgrond voor nodig is. Wat is nu beter voor de wereld, groot en intensief of klein en duurzaam?

Niet meteen afwijzen

Voor een antwoord moeten we terugkeren naar Frankenstein en zijn monster. Volgens de Franse filosoof Bruno Latour wordt Mary Shelley’s boek verkeerd begrepen. Het monster is geen monster – het is er een geworden. In een essay voor The Breakthrough Institute, een Amerikaanse milieudenktank, schrijft Latour dat Frankenstein geen waarschuwing was voor Prometheaanse hoogmoed van de mens, maar een aansporing de monsters die we voortbrengen niet direct af te wijzen. Frankenstein liet zijn monster in de steek. Maar een monster dat aan zichzelf wordt overgelaten, ontspoort. We kunnen het beter liefhebben, alsof het ons kind is.

De reactie op de misstanden van intensieve landbouw zou volgens Latour dus niet een afwijzing van intensivering en een romantisch pleidooi voor ‘small is beautiful’ moeten zijn. Zo ga je niet om met je monsters. Een betere reactie zou zijn: hoe maken we de intensieve landbouw minder monsterlijk? Hoe temmen we het monster? Hoe zorgen we ervoor dat we én een hoge opbrengst per hectare én een lager gebruik van pesticiden en kunstmest realiseren? Hier kan de intensieve landbouw leren van biologische praktijken gericht op kringlopen en verminderen van pesticidengebruik. Maar de aanhangers van kleinschaligheid zullen op hun beurt moeten accepteren dat genetisch gemodificeerde planten en dieren nodig kunnen zijn om hogere opbrengsten te realiseren. Alleen met liefde en aandacht kunnen we onze monsters van Frankenstein temmen.