De machine wordt mens

De grenzen tussen robots en mensen vervagen. Alleen in sterfelijkheid zijn we straks van machines te onderscheiden, voorspelt René Munnik.

Real Humans, de sciencefictionserie die de VPRO wekelijks uitzendt, roept filosofische vragen op. Er komen androïde robots in voor. ‘Hubots’ heten ze – human robots. Ze zijn buitengewoon geavanceerd en lijken net mensen. Dat leidt tot bijzondere verwikkelingen. Zoals de oudere alleenstaande man Lennart die erg gesteld raakt op zijn hubot Odi, terwijl hij een hekel heeft aan zijn nogal dominante zorgrobot Vera. Wanneer Odi mankementen vertoont en naar de schroothoop moet, kan Lennart dat niet verkroppen en verstopt hem.

Ondanks dat het fictie is, komt het realistisch over. Niet alleen omdat de gevoelens herkenbaar en die hubots zo menselijk zijn, maar ook omdat robotisering reeds in de medische zorg plaatsvindt – vooral in die van ouderen. Zoals het sociale robotje Paro, een intelligente knuffel die met engelengeduld communiceert met alzheimerpatiënten.

Intussen krijg je als kijker ook zelf een affectieve band met de hubots. Want de plek waar de afgeschreven exemplaren worden gedemonteerd en verschroot, roept onvermijdelijk de walging op van een slachtpartij.

Plastic seksspeeltjes zijn te banaal om een filosofisch probleem op te werpen maar wanneer ze gaan praten, verleiden en vrijen als hubots, dan wordt het toch een ander verhaal.

Hoofdpersoon Hans krijgt bij de beeldschone huishoud-hubot Anita de software voor enkele erotische functionaliteiten meegeleverd. Stel dat hij die installeerde en door zijn vrouw met Anita in bed werd betrapt. Hoe zou hij zich dan moeten voelen? Zou hij zich moeten schamen vanwege de zelfvernedering, zoals een man die stoeit met een opblaaspop? Of zou hij zich schuldig moeten voelen voor zijn ontrouw omdat hij overspel pleegt?

Bij de hubots uit Real Humans wordt dat bijna onbeslisbaar en denk je eerder aan overspel. Maar kun je wel vreemdgaan met een apparaat? Dergelijke vragen roept de serie op, doordat een situatie wordt verbeeld die herkenbaar is, maar waarin de grens tussen mens en machine sterk vervaagd is. Zodoende houdt Real Humans de technocultuur een spiegel voor. Want hubots bestaan weliswaar (nog) niet, maar die vervaging is er al wel.

Neem bijvoorbeeld Dick Swaabs Wij zijn ons brein. In de titel wordt het verschil tussen ‘onszelf’ en ‘ons brein’ al gebagatelliseerd, terwijl het brein op zijn beurt als een anoniem mechanisme wordt opgevat. Ziehier de grensvervaging tussen mens en mechanisme. Hetzelfde geldt voor het debat over de ‘vrije wil’. Daarin gaat het uiteindelijk om het verschil tussen een menselijke handeling en een anoniem natuurproces.

Maar hoe natuurwetenschappelijker je een menselijke handeling ontleedt, hoe meer die vanzelf op een natuurproces begint te lijken, zodat ook hier dat verschil vervaagt. Of neem het huidige debat over ‘mensverbetering’ (human enhancement) dat door het Rathenau Instituut wordt geëntameerd. Die verbetering wordt geleverd door technologische middelen om menselijke vermogens te optimaliseren, en bestaat heus niet uit een pedagogisch programma ten behoeve van ‘betere mensen’. Maar als de verbetering van mensen wordt gezocht in technische accessoires, dan is ook daar de grens vervaagd. Het verzet tegen die vervaging moet een beroep doen op een humanistisch idioom dat de toets van de strenge wetenschap niet kan doorstaan en dus kan worden gediskwalificeerd als nostalgisch geneuzel. Ten onrechte, meen ik.

De verlegenheid die deze vervaging oproept en waar Real Humans op zinspeelt (kun je wel verliefd worden op een apparaat?) wordt door filosofen erkend en vaak benoemd als een ontwrichting van onze ‘symbolische orde’. Met die symbolische orde bedoelen ze de fundamentele verschillen die we niet wetenschappelijk kunnen verantwoorden maar waarop we voor onze oriëntatie in de wereld wel koersen; verschillen als natuur/cultuur, mens/machine, normaal/abnormaal, enzovoort.

Waarschijnlijk hebben ze gelijk, maar ik vrees dat dit signalement weinig voorstelt wanneer men niet tevens het belang van die ‘symbolische orde’ erkent. Die is namelijk allerminst ondergeschikt aan de (wetenschappelijke) ‘realiteit’.

Real Humans mag dan fictie zijn, maar ze toont dat die ‘symbolische orde’ draait om mensen die werkelijk steeds minder weten waarmee ze van doen hebben: mensen of machines. Wat dat betreft vermoed ik dat de bezinning op de rol van de technologie binnenkort niet enkel gedomineerd wordt door risico’s en toekomstscenario’s, maar steeds meer draait om die symbolische orde, en in die zin levensbeschouwelijk zal worden.

Verderop in de serie laat de oude Lennart een ‘digitale kloon’ van zichzelf vervaardigen, waarmee na zijn dood een niet van hem te onderscheiden replica gemaakt kan worden. De grensvervaging tussen mens en machine verschuift daardoor naar die tussen de gestorven Lennart en zijn onsterfelijke replica.

Ik heb deze grensvervaging tussen levenden en de sporen die ze na hun dood achterlaten, uitgewerkt in mijn boek Tijdmachines (Klement 2013). De grensvervaging suggereert dat zoiets kan, maar machines zullen nooit zoals mensen kunnen sterven.

    • René Munnik