Column

Opdringerige Roemeense levende standbeelden

Mijn moeder werd 83, we vierden het met een etentje in Chinees Restaurant Blue Lotus, een zaak met uitzicht op het grootste parkeerterrein van Velp, waar ze van de directie een ijsje met een stuk vuurwerk erin kreeg aangeboden.

Een ervaring rijker reisden we de volgende dag terug via Arnhem waar de straten waren afgezet vanwege de tweede dag van het wereldkampioenschap levende standbeelden. We vielen er totaal onvoorbereid in, de winkelstraten zaten er vol met deelnemers, bezig met de laatste voorbereidingen.

Ter hoogte van Bakker Bart sprak ik het eerste levende standbeeld, een blauwgeverfde vrouw met een Limburgs accent, die als ‘godin van de zee’ hoge ogen dacht te gaan gooien. Tenminste als ze geen last kreeg van jeuk of koude voeten, de twee grootste vijanden van een levend standbeeld.

De strekking van het gesprek was: als je een levend standbeeld bent, heb je het ook niet makkelijk tegenwoordig. Ik dacht altijd – waarom eigenlijk? – dat levende standbeelden vrolijke mensen waren, maar dat was vroeger, toen je nog geen vergunning nodig had om ergens als levend standbeeld te gaan staan en je op een dag nog moeiteloos een paar honderd euro ophaalde.

Net als bijna andere Nederlandse levende standbeelden had dit levende standbeeld last van ‘de opdringerige’ Roemeense levende standbeelden. Ze hadden de markt overspoeld en de andere levende standbeelden een slechte reputatie gegeven. De regering moest er wat aan doen. Ze zei nog net niet: eigen levende standbeelden eerst. Het bleek te gaan om een breed gedragen sentiment.

Een grijs geschminkte man met tussen zijn benen een zwart rubberen paard zei: „In een normale branche selecteert het zich uit. Dan vallen de slechte gewoon af en blijven de goeden over. Maar er waren op een zeker moment zoveel slechte levende standbeelden dat de goede niet meer opvielen. De mensen dachten: o, weer een levend standbeeld, doorlopen.”

De levende standbeelden moesten het tegenwoordig hebben van evenementen zoals dit wereldkampioenschap, waar een deskundige jury vooraf het kaf van het koren had gescheiden. „Zodat onze professionals geen last hebben van ‘Oost-Europese grapjassen die even naar de feestwinkel zijn geweest’.”

Ik, die tot dit weekeinde dacht dat alle levende standbeelden ooit in een feestwinkel waren begonnen wist helemaal niets van deze problematiek en dat straalde ik ook uit.

„In Roemenië heb je heel veel Dracula’s, die een hele leuke boterham verdienen”, zei de man met het rubberen paard tussen de benen, terwijl hij met zijn armen zwaaide. „Dan gaan wij daar toch ook niet allemaal verkleed als Dracula naar toe?”

Waarom eigenlijk niet, dacht ik toen.