Inspecties signaleren onvermogen instanties bij vechtscheidingen

De instellingen die betrokken waren bij de hulp aan de broers Ruben en Julian uit Zeist hebben „navolgbaar en adequaat gehandeld”. Dat stellen de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de Inspectie Jeugdzorg in een gisteren gepubliceerd rapport. Tegelijk signaleren zij het onvermogen van de hulpverlening in gecompliceerde scheidingszaken als deze. „Er zijn weinig effectieve hulpverleningsmethoden voorhanden om een impasse te doorbreken bij gezinnen die verwikkeld zijn in een (echt)scheidingsstrijd.”

De broers Ruben (9) en Julian (7) werden in mei om het leven gebracht door hun vader, die vervolgens zelfmoord pleegde. De vader, die in 2008 was gescheiden van de moeder, had kort tevoren gehoord dat er mogelijk een einde zou komen aan zijn co-ouderschap. Na zijn dood werd bekend dat tal van instellingen zich hadden beziggehouden met de zaak. De inspecties onderzochten of hun bemoeienis „voldoende gericht was op een veilige en gezonde ontwikkeling van de twee broers”. Ze concluderen dat dat het geval was.

De moeder van de jongens heeft „bij vrijwel alle betrokken instellingen” zorgen geuit over de veiligheid van de kinderen bij de vader, maar daarvoor werd na onderzoek geen bevestiging gevonden. „De vader toonde zich in de contacten met de instellingen betrokken, redelijk en meewerkend. Voor zowel de moeder, wier zorgen niet werden bevestigd, als voor de vader, die zich beschuldigd voelde, was deze situatie zeer belastend.”

Uit het rapport blijkt dat op belangrijke momenten wel fouten zijn gemaakt. Zo is het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling in 2010 te „eenzijdig” afgegaan op informatie van de moeder. De vader is op „enkele belangrijke momenten niet volledig geïnformeerd”. De Raad voor de Kinderbescherming had belangrijke besluiten dit jaar over het co-ouderschap zorgvuldiger moeten uitvoeren en toelichten aan beide ouders.