De stellingen kunnen worden betrokken

Het IPCC heeft vorige week met de verschijning van de Summary for Policymakers de basis gelegd voor zijn vijfde assessment in een kwart eeuw. De belangrijkste conclusie is misschien wel dat de nieuwe samenvatting weinig nieuws bevat. Hier is een formulering een tikje aangescherpt, daar wordt een conclusie een beetje afgezwakt. Iets minder opwarming tegenover iets meer zeespiegelstijging. Maar in hoofdlijnen zijn de bevindingen van het vierde assessment bevestigd.

Ja, het is de mens. Dat durft het IPCC nu zelfs met meer dan 95 procent zekerheid te stellen. Dat is vijf procent meer dan de vorige keer. Al heb ik geen idee wat dat precies betekent. Persoonlijk zegt mij dat gegoochel met zekerheidspercentages niet zo veel. Vooral niet als je bedenkt dat het IPCC ‘beleidsrelevant’ moet zijn. Hoeveel beleidsrelevanter wordt het, als experts niet 90 maar 95 procent zeker zijn van menselijke betrokkenheid bij de opwarming?

In de commentaren hebben de voor- en tegenstanders van het IPCC hun stellingen alweer betrokken. Sommigen menen in het naar beneden bijstellen van (de ondergrens van) de klimaatgevoeligheid een bewijs te zien van het falen van de wetenschap. Volgens anderen gaat het om een marginale bijstelling, die ons niet ontslaat van de noodzaak om de uitstoot van broeikasgassen te reduceren.

Waarom die reductie gewoon nodig blijft, legt econoom Nicholas Stern, auteur van de beruchte review over de prijs van klimaatverandering, uit in een opiniestuk in de Financial Times. Hij maakt een nuchtere berekening: om een vijftig procent kans te hebben om te ontkomen aan een temperatuurstijging van meer dan 2 graden Celsius aan het eind van de eeuw hebben we nog 820 tot 1.445 gigaton aan broeikasgassen beschikbaar. Met de huidige snelheid van 50 gigaton per jaar (uitgaande van de optimistische veronderstelling dat de uitstoot niet verder groeit) is dat kwantum in zo’n 15 tot 25 jaar opgebruikt.

Het IPCC pareert in het rapport ook de twijfel die is veroorzaakt door de befaamde recente afzwakking van de temperatuurstijging. Pareren is misschien niet het juiste woord, als ik Arthur Petersen, lid van de Nederlandse delegatie die in Stockholm onderhandelde over de Summary, goed begrijp. ‘Ik geloof niet dat het IPCC hier aan het terugvechten was’, legt Petersen uit aan BBC verslaggever Matt McGrath.

Desgevraagd vertelt Petersen dat de Zwitserse vicevoorzitter van IPCC-werkgroep I, Thomas Stocker, voorafgaand aan de besprekingen in Stockholm voortdurend wees op de noodzaak van wetenschappelijke accuratesse. Het is de wetenschap die hier spreekt, aldus Stocker, het beleid mag om verheldering vragen. Met de snelheid waarmee internet en media tegenwoordig werken dreigt, volgens Stocker, ‘kwaliteit een zeldzaam goed’ te worden.

Het rapport schrijft:

The long-term climate model simulations show a trend in global-mean surface temperature from 1951 to 2012 that agrees with the observed trend (very high confidence). There are, however, differences between simulated and observed trends over periods as short as 10 to 15 years (e.g., 1998 to 2012).

Volgens Petersen is ‘de hiatus’ verder niet zo interessant. ‘Voor iedere periode die je kiest, verwácht je in feite een verschil met de langdurige trend,’ zegt hij. De modellen zijn niets anders dan een mogelijke realisatie van wat er kan gebeuren. Samen levert dat een spaghetti van lijnen op die voortkomen uit de modellen. Ook al zit de waarneming nu aan de onderkant, hij valt nog steeds binnen modellen. Zo lang is er weinig aan de hand. Zie deze grafiek in het nieuwe rapport:

 

    • Paul Luttikhuis