Blaas

Je móét naar Blaas van Boukje Schweigman, bezwoeren vrienden mij. Schweigman had met haar voorstelling vooral succes op het theaterfestival Boulevard, maar dat was inmiddels beëindigd. Een laatste reeks voorstellingen werd nog gegeven in Fort aan de Klop, ooit onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, aan de rand van de stad Utrecht. Die vrienden wilden niet vertellen waar de voorstelling over ging – ik moest me laten verrassen. Daarom liet ik de (enthousiaste) recensie van Herien Wensink in deze krant nog even ongelezen. De voorstelling vond ’s avonds plaats in een grote loods naast het fort. Er was ruimte voor maar 55 toeschouwers, waardoor de voorstellingen snel uitverkocht waren. Voor die geringe capaciteit was een reden, maar daarover later.

We mochten pas plaatsnemen nadat we onze schoenen hadden omhuld met een wit hoesje. De loods was leeg op wat witte vellen plastic na die tegenover de tribune lagen. Langzaam kwam er beweging in die vellen, eentje groeide uit tot een blaas van steeds grotere proporties en begon de ruimte te verkennen. De blaas ging op het publiek af, liet aan zich voelen en zoog tot mijn niet geringe verbijstering enkele toeschouwers naarbinnen.

Hij kwam ook gevaarlijk dicht in mijn buurt, raakte me even aan, maar liet me toch ongemoeid – een oude columnist, zal hij (of zij) gedacht hebben, wat moet je ermee.

Die toeschouwers werden na enkele minuten weer gedropt en liepen dan lachend terug naar hun plaats. Tot dan toe vond ik de voorstelling sympathiek, maar nog niet geslaagd. Toen begon het te spoken in de ruimte, er ontstond een tweede, veel grotere blaas die in huilende windvlagen de kleine blaas opjoeg en ten slotte zelfs opslokte.

Eindelijk liet zich ook een mens zien, een kleine, zwartharige vrouw die gedeeltelijk uit de blaas kwam en naar het publiek lonkte. Eén voor één moesten we komen en via een gangetje de blaas betreden, waar voor slechts een kleine zestig mensen plaats was. Wat stond ons te wachten?

Pas als je binnen bent, zie je dat je met de andere toeschouwers gevangen bent in een witte, schemerige ruimte. Daarin wordt het soms pikkedonker en bliksemt het af en toe, maar uiteindelijk gloort het gouden licht van een nieuwe dageraad. Je loopt door een lange slurf naar buiten en eindigt in de blote avondlucht.

Het was een intrigerende ervaring, een van de bijzonderste die ik in het theater heb gehad. Na afloop brak onvermijdelijk een discussie los: wat heb je meegemaakt, wat is de bedoeling van de maakster? De een gelooft in een wedergeboorte, de ander in het betreden van het hiernamaals, maar ook de apocalyps en een vluchtelingenboot naar Lampedusa behoren tot de mogelijkheden.

En de maakster zelf? Ik heb er met haar over gebeld. Zij had zich voor haar blazen laten inspiren door de opblaasbare objecten (‘blobs’) van beeldend kunstenaar Cocky Eek. Zelf speelt ze zelden mee, de blazen worden onzichtbaar bediend door Ibelisse Guardia Ferragutti (de vrouw die je uitnodigt) en drie jonge mimekunstenaars. „Ik heb zelf niet één interpretatie”, legde ze me uit, „voor mij verandert het steeds, het hangt ervan af hoe ik me voel. Geboorte, dood, het einde van de wereld – het kan allemaal. Ik heb er tevoren bewust geen verhaal op geplakt. Dat had het eendimensionaal, anekdotisch gemaakt. Ik wilde de verbeelding openen.”

Dat is bij heel wat mensen ongetwijfeld gelukt.

    • Frits Abrahams