Column

Vals

Het bijzondere aan wielrennen in Italië is dat er alleen maar Italianen mogen winnen. Er kunnen tientallen landen inschrijven voor een wereldkampioenschap, maar aan het eind moet er iemand in een azuurblauw shirt zwaaien vanaf het hoogste podium.

Hoe dan ook.

In een natte bocht op het WK-parcours in Florence gleed Vincenzo Nibali onderuit, precies op de plek waar in reuzenletters STOP op de weg stond. Nibali zocht zijn fiets en vervolgde gedemoraliseerd de wedstrijd. Het peloton was uit zicht verdwenen. De kopman van Italië was kansloos.

Nibali bekeek de schade. Het witte dijbeenvlees kwam door de scheuren van zijn koersbroek heen. Zijn nummer zat los en fladderde als een zielig vlaggetje op zijn rug.

In Italiaanse huiskamers vlogen borden van woede door de lucht. De sugo al pomodoro droop als bloed langs de muur naar beneden. Hoe kon die klote Siciliaan deze bocht missen? Hoe kon hij deze heilig verklaarde zondag in Toscane zo verzieken?

Na een dag regen piepte de zon hier en daar door het wolkendek. Het nieuw gelegde asfalt droogde op, boven op de heuvel van Fiesole gooide de baas van een restaurant vlees op de barbecue langs de kant van de weg. Een dikke, witte walm gleed over het parcours.

De televisie toonde een beeld van de achterkant van de koers. Hé, daar reed Nibali op hoge snelheid in de slipstream van een ploegleiderswagen.

In eigen land geeft een Italiaan nooit op. Vraag het maar aan Silvio Berlusconi. Wilde het volk Nibali terugzien? Dan niet zeuren dat hij nu vals speelde door achter de auto te hangen. Wilden ze hem voorin de koers? Dan de ogen dicht als een mecanicien hem al prutsend aan een remmetje langdurig voortduwde.

Alles voor de tricolore, merda!

Nibali was terug op aarde. Hij nam de leiding in de laatste ronde. Afdalen en bochten nemen deed hij met samengeknepen billen. „De langzame dood is ingetreden”, hoorde ik op televisie. Alle renners waren murw gefietst na een dag in de regen.

In een afdaling reed Nibali over een gekalkte spreuk: si alla vita. Ja, natuurlijk, het leven. Italië deed alvast scheldend een schietgebedje. Er kwam een wonder aan. Een wonder, met Nibali als de lachende duivel.

Maar nee. Nibali kon de demarrages van zijn medevluchters niet allemaal pareren. Niet met kracht, niet met praten, niet met een stapel bankbiljetten. Hij werd vierde.

Vol ongeloof keken de tifosi naar het podium. Hoe was het mogelijk; er stond geen Italiaan te zwaaien. Een Portugese winnaar? Nou ja, altijd beter dan een van die Spanjaarden.

Hoofdschuddend liepen de Italianen langs het parcours het café binnen. Ze wezen naar de flessen met de hoogste alcoholpercentages en deden er het zwijgen toe.