Puttertje

urieus: vorige week beleefde een relatief onbekend Nederlands woord een opleving vanwege een roman waarvan de Nederlandse vertaling eerder verscheen dan het Amerikaanse origineel. Ik heb het natuurlijk over Het puttertje van Donna Tartt.

Om ingezonden brieven en dreigtweets te voorkomen: nee, niet voor iedereen zal puttertje een onbekend woord zijn. Zonder twijfel zijn er allerlei vogelaars die, als ze een distelvink zien, zeggen: „Kijk, een putter.” Dan wel: „Ach, wat een fraaie Carduelis carduelis.”

Dat hangt mede af van waar in Nederland de vogelaar zich bevindt. In Zeeland zou hij (of zij) kunnen zeggen: pitter, in Twente diesselveenk, in Sittard pötterke, in Brabant prutter of wijntapper, en zo verder.

Desalniettemin is mijn indruk dat meer Nederlanders putter kennen als naam voor een golfclub (‘een der soorten van golfstokken, t.w. die welke op de “green” gebruikt wordt’, aldus de bijna oud-Nederlandse definitie in de Grote Van Dale), dan als vogelnaam. Tot vorige week, toen het nieuwe boek van Donna Tartt met ongekend veel publiciteit werd gelanceerd.

Sindsdien weet menigeen dat Carel Fabritius in 1654 een schilderij van een puttertje maakte dat in het Mauritshuis hangt, want dat doek wordt in het boek van Tartt gestolen. Ook werd er hier en daar aandacht besteed aan de herkomst van de vogelnaam. De duidelijkste verklaring staat in een beschrijving door het Mauritshuis van het schilderij van Fabritius: „Vaak werd distelvinken een kunstje geleerd: met een emmertje moesten ze zelf hun drinkwater putten uit een bakje of glas. Daaraan dankte het vogeltje ook zijn bijnaam: puttertje.”

Wie hier geen beeld bij heeft: sommige kooien waren voorzien van een afhangende loopplank met daarop een emmertje met wieltjes. Het puttertje trok dit emmertje aan een touwtje zijn kooi in (voor een afbeelding met gedicht, zie ewoudsanders.nl/blog).

Minder bekend is dat putter in het Nederlands nog andere betekenissen heeft. De oudste is ‘iemand die water put of schept’ (uit een waterput dus). In die betekenis vinden we dit woord vanaf 1573. De oudste overdrachtelijke betekenis van putter is ‘iemand die stevig kan zuipen, drinkebroer’. Een spreekwoordenboek uit het begin van de 19de eeuw geeft als verklaring bij hij is een ouwe putter: ‘wordt boertende toegepast op een oud man, die, zoo als men het noemt, wel van een slokje houdt’.

Daarna was het nog maar een kleine stap naar putter als ‘geringschattende benaming in het algemeen’, want drinkebroers hebben weinig aanzien. Een en ander leidde tot uitdrukkingen als blinde putter voor ‘dom mens’ en rare putter voor ‘mafkees’. Het is maar een putter werd „gezegd van iemand die zijn vak niet geheel meester is en ook van iemand die niet uitmunt door geestelijke vermogens”, aldus het Woordenboek der Nederlandsche Taal in 1949. Rare putter is sinds het begin van de 20ste eeuw nauwelijks meer gesignaleerd, blinde putter is in 1974 nog gebruikt door Gerrit Komrij en Ward Ruyslinck, maar puttertje als vogelnaam kom je vaker tegen, zeker in oude boeken. Kennelijk sprak een vogeltje dat in gevangenschap moest werken om te kunnen drinken van oudsher tot de verbeelding.

Taalhistoricus Ewoud Sanders schrijft wekelijks op deze plek over taal.