Minnaars repertoirekeus is uitermate verfrissend

Van geen componist is de reputatie door de eeuwen heen zo smetteloos bewaard gebleven als van Johann Sebastian Bach. Waar Beethoven, Liszt of Wagner naast bewondering bij menigeen ook afkeer oogsten, heeft de beroemde Thomascantor latere generaties vrijwel zonder onderbreking geïnspireerd.

Op zijn nieuwe cd geeft Hannes Minnaar een fascinerende inkijk in de geschiedenis van laatromantische ‘Bach-inspiraties’. De repertoirekeuze is uitermate verfrissend: wie denkt er bij Rachmaninoff aan een Preludio, Gavotte en Gigue? Of bij Liszt aan een Fantasie en Fuga over het thema b-a-c-h? En wie speelt er ooit nog muziek van vergeten Bach-adepten als Harold Bauer (1873-1951) en Percy Grainger (1882-1961)?

Zijn keuze voor laatromantisch repertoire ten spijt, ligt Minnaars eigen hart hoorbaar bij de barok. In Busoni’s bewerking van Wachet auf, ruft uns die Stimme breekt hij de langgerekte melodie met een agogische frasering in stukjes. Liszts onstuimige Fantasie en Fuga ontdoet hij van hun extatische, exhibitionistische kant.

In Francks Prélude, Choral et Fugue blijft de textuur doorlopend transparant. Zo gepreoccupeerd lijkt Minnaar met de barokke inspiratie, dat hij laatromantische stijlkenmerken, zoals vrijheid en impulsiviteit, systematisch onderbelicht.

Minnaars deromantiserende aanpak is dan ook niet altijd doeltreffend. Want bestaat Bachs grootheid er niet juist in dat hij de grenzen van zijn eigen stijl overstijgt? Poogden Busoni, Liszt en Rachmaninoff zijn geest niet juist te laten rondwaren in hun eigen, smachtend-romantische jargon?

Bas van Bommel