In het gootsteenkastje met ’n vergiet als helm

Wat doet een spaarder als de rente zo extreem laag is als op dit moment? Je zou verwachten dat hij meer gaat sparen, nu de opbouw van zijn kapitaal minder snel gaat of zelfs door inflatie wordt uitgehold. In de meeste landen is de inflatie niet alleen hoger dan de spaarrente, hij benadert of overtreft soms zelfs de rente op langer lopende staatsobligaties. En als er dan ook nog belasting overheen gaat, rest in de regel een negatief reëel rendement of zelfs een negatief absoluut rendement.

In het jongste Global Wealth Report van Allianz, het Duitse financiële conglomeraat, wordt dan ook een somber beeld geschetst van het lot van de vermogende, of hij nu een klein of een fors kapitaal heeft. De gemiddelde vermogensgroei in de crisisjaren ligt tussen de nul procent voor Japan en 1,1 procent voor de eurozone. Vóór de crisis lag het gemiddelde tussen 1,6 voor Japan en 10,3 procent in de Verenigde Staten. In zekere zin zijn we allemaal Japanners geworden. Nederland komt in het onderzoek overigens uit de bus als het op vier na rijkste land als het gaat om het nettovermogen per inwoner: 68.756 euro. Zwitserland, de VS, Japan en België gaan ons voor.

Maar waarom spaart de spaarder dan niet méér? Zonder dat Allianz dit in zijn overwegingen betrekt, zijn we er in wezen getuige van dat in een economie niet tegelijk méér gespaard kan worden én wordt bezuinigd door de overheid. Het is van tweeën een. De enige uitweg is dat er tegelijkertijd méér geld verdiend wordt in het buitenland. Maar in een analyse op wereldschaal doet dat er, uiteraard, weinig toe: het kan in wezen uit de vergelijking worden weggestreept.

Vermogensgroei kan dus niet komen uit hogere besparingen zelf, op straffe van een gigantische vraaguitval. Hij zal moeten komen van een hogere waardering van datgene waarin wordt belegd: vastgoed, aandelen, bedrijfsobligaties en ga zo maar door. En dat heeft weer te maken met verwachtingen. Als de toekomstige winstgevendheid van ondernemingen hoger wordt ingeschat dan kan de huidige waarde van hun aandelen omhoog. Een aandeel is per slot van rekening weinig meer dan het recht op een stroom van toekomstige bedrijfswinsten.

Dan moet de spaarder dus wel meer gaan beleggen. En daar ziet Allianz een merkwaardige ontwikkeling: dat doet de spaarder niet. In een ideale wereld, stelt het concern, zouden spaarders bij de huidige extreem lage rente overgaan naar langetermijnbeleggingen in de hoop daar meer rendement uit te halen. Maar in het afgelopen jaar zijn spaarrekeningen juist de winnaars, en ze zijn het meest in populariteit gestegen in landen waar de rente het laagst is.

Dat lijkt een paradox. Een mogelijke verklaring gaat via het vertrouwen. Als er weinig hoop is voor de toekomst, dan is er ook weinig animo om in die toekomst te beleggen. Maar die aandelenbeurzen dan, die dit jaar toch flink omhoog zijn gegaan? Hier speelt zich het verhaal af dat zo oud is als de financiële wereld. De kleine belegger is altijd te laat. Professionele partijen stappen het eerst in, en pas als de beurzen duurzaam omhoog zijn gegaan, durft de burger mee. Die stapt dan in op een beurs waar de koersen al vrij hoog zijn en pakt alleen de staart van de rally mee. Daarmee is die burger kwetsbaar voor de correctie die mogelijk volgt – als de meeste professionals al weer zijn uitgestapt.

Wellicht is dát het dan ook wel: achterdocht. En dat terwijl de noodzaak om te sparen en beleggen eigenlijk alleen maar groter is geworden. Het maatschappelijke vangnet wordt kleiner, de levensverwachting hoger. En de overheid zit de spaarder, zoals boven uitgelegd, nogal in de weg. De gemiddelde Japanner heeft al een jaar of twintig van economische teleurstellingen achter de rug. Misschien is hij inderdaad, zoals Allianz suggereert, op dit moment wel ons rolmodel. Roerloos, als een konijn in de koplampen.

Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze column over economische ontwikkelingen.