Een oorverdovende Jostiband

Een Finse punkband bestaat geheel uit bandleden met het syndroom van Down En dat is best lastig, blijkt uit een documentaire die vanavond te zien is in de Melkweg „Hou het gewoon simpel!”

Pertti Kurikka is pislink. Hij had net een fantastische riff bedacht, met zo’n bijtend scheurgeluid waarmee hij iedereen van zijn sokken ging blazen. Hij wilde zijn gitaar zo agressief laten knetteren dat ze allemaal meteen zouden snappen dat de maat vol was. Dat die groepsleiding niet zo moest zeiken, dat die klote-isoleercel het ultieme kwaad was en dat hij nu godverdomme eindelijk weleens een mok koffie wilde!

Er kon niets mis gaan. Op zijn gitaarhals had hij stickertjes geplakt met verschillende kleuren. Zo wist hij precies waar hij zijn vingers moest neerzetten om de akkoorden te laten knallen.

Maar nu ging het dus toch mis. Niks geen schel geknetter. Want zijn vingers zitten vast tussen de snaren. Heeft-ie mooi dat hele nummer om zeep geholpen. Stik maar. Hij heeft er genoeg van. En hij moet nu eerst zijn neus snuiten.

„Niet huilen”, troosten de andere bandleden als ze stuk voor stuk een arm om de snotterende gitarist slaan. En dan, als de film The Punk Syndrome nog maar drieënhalve minuut op pad is, vat zanger Kari Aalto argeloos het belangrijkste ethos van veertig jaar punk samen. „Pertti, als je een nieuwe riff bedenkt, moet je ervoor zorgen dat die niet te moeilijk is. Hou het gewoon simpel!”

The Punk Syndrome van Jukka Kärkkäinen en J-P Passi gaat over een Finse punkband met geestelijk gehandicapten, de Pertti Kurikan Nimipäivät geheten, oftewel Pertti Kurikan Naamdag. De film won vorig jaar de publieksprijs op het South by Southwest Festival en wordt vanavond in de Amsterdamse Melkweg vertoond. Aansluitend klimmen de punkers op het podium en kan iedereen in zijn beste Fins meebrullen met nummers als Puhevika (Spraakgebrek) en Päättäjä on pettäjä (Beslissers zijn bedriegers).

Beslissers zijn bedriegers.

Ze sluiten ons op in onze kamers,

Waar wij helemaal niet willen zijn.

Ze geven geen reet om ons, gehandicapten.

Niemand komt op bezoek.

Ook voor bandleden met het syndroom van Down en ernstige vormen van autisme geldt die andere belangrijke punkmoraal – fuck the system. Alleen zijn dit keer niet de kapitalistische zakkenvullers, machtsbeluste politici of ander rechts tuig de boosdoeners. In het punkuniversum van Pertti Kurikan Nimipäivät wordt de woede teruggebracht tot een iets kleinere schaal: die van het tehuis. Want ook daar regeert immers Het Grote Onrecht: groepsleiders die zich ongevraagd overal mee bemoeien, bloedirritante medebewoners, het sluimerende gevaar van eenzame opsluiting en het chronisch gebrek aan koffie.

En niet te vergeten: het wekelijks verplichte bezoek aan de pedicure. Die knipt niet alleen ongevraagd je teennagels, maar slijpt met een ingewikkeld apparaat ook nog het eelt van je voetzolen, waardoor je bijna aan de kieteldood bezwijkt. Alleen het vooruitzicht aan die lachmarteling doet zanger Kari – die vanwege zijn aandoening ook headbangt als hij niet zingt – door het lint gaan. Hij ramt zijn vuisten tegen de muur en vlucht vloekend en tierend de instelling uit. Eenmaal buiten vliegt bijna een steen door de ruit, tot de Finse kou Kari’s woede weet te koelen.

Als hij dan uiteindelijk toch in de stoel zit, moet hij ook nog toezien hoe bassist en beroepsjenner Sami Helle zich als God in Finland achterover laat zakken en blijft herhalen hoe heerlijk hij de behandeling vindt: „Dit is het leven van een rockster.”

Dan lucht een potje zo hard mogelijk schreeuwen hoe hard hij de pedicure haat, toch behoorlijk op, vindt Kari.

Fucking pedicures.

Ze begrijpen je niet.

En geven alleen om je voeten.

Waarom bestaan ze in hemelsnaam?

Zo heeft iedereen zijn afwijkingen. Gitarist Pertti kan het bijvoorbeeld niet laten om sissend als een slang langs de mouwen van jassen te snuffelen en met zijn vingers aan de zomen te friemelen – een tic die toeneemt naarmate de spanning oploopt. En aangezien de roem en de hoeveelheid optredens gaandeweg de film toenemen, stijgt het aantal prikkels exponentieel.

Behalve van de glamour gaat dat ook ten koste van de hygiëne. Tijdens een tournee zie je Pertti door alle stress aftakelen. Niet na, maar vóór het optreden wordt hij door zijn manager/begeleider verplicht onder de douche gezet, omdat hij weer is vergeten een schone onderbroek aan te trekken. Maar eenmaal opgefrist bestormt hij in leren jack en een tot over zijn bril gezakte wollen muts het podium en blaft opgetogen: „Zwaai je handen in de lucht als je er geen ene fuck om geeft!” Na iedere show huilt hij van geluk.

Dat is des te ontroerender omdat Pertti dan al heeft opgebiecht hoe hij zich ooit voor de metro wilde gooien. Sindsdien krabbelt hij zijn zelfhaat van zich af, voorover hangend boven zijn schriftje. De band is zijn ultieme uitlaatklep.

Daarbij vergeleken is drummer met downsyndroom Toni Välitalo een oase van rust. Hij lijdt alleen aan verlatingsangst en woont als enige nog bij zijn ouders. Hoe hard zij hem ook pushen om in een tehuis te gaan wonen, hij weigert. En als hij in zijn slaapkamer repeteert (door met keihard afgespeelde Finse schlagers mee te drummen) zetten vader en moeder Välitalo van ellende maar hun gehoorbeschermers op. Als twee bouwvakkers zitten ze in de keuken. Wanneer hij eindelijk overstag lijkt te gaan en in hetzelfde huis kan gaan wonen als zijn grote liefde Liisa, blijkt ze al een vriendje te hebben die op dezelfde gang woont. Dan heeft Toni behalve verlatingsangst ook nog liefdesverdriet.

Het is moedig dat de makers van The Punk Syndrome ervoor hebben gekozen het perspectief uitsluitend bij de bandleden te leggen. We zien alleen hun rauwe realiteit. Er draven geen experts of belangenorganisaties op die nog eens prekerig uitleggen dat een handicap helemaal geen probleem is, maar juist een enorme uitdaging.

Die kale aanpak past weliswaar perfect bij de wetten van de punk, het laat wel veel vragen onbeantwoord. Niet alleen ontbreken de meest basale feiten, zoals data en plaats van optredens. Ook naar het grote verhaal blijft het gissen. Want hoewel lege pleinen langzaam veranderen in volle festivalweiden, blijf je je afvragen: hoe groot is de band nu eigenlijk in Finland? Verkopen ze überhaupt veel platen? Stelde die buitenlandse tour eigenlijk iets voor? En natuurlijk is het prachtig dat Pertti (in smoking – niet zo punk) op audiëntie mocht komen bij de Finse president, maar waarom eigenlijk? Een paar quotes van de begeleiding of ouders had al een hoop kunnen verhelderen. Daarvoor was een voice-over (ook niet punk) niet eens nodig geweest.

Pertti laat er geen gelukkig geen traan minder om. „Maar dit gaat niet over huilen”, zegt hij bloedserieus na zijn zoveelste jankpartij. „Dit gaat over punk en de glorie van de rock ’n’ roll.”

The Punk Syndrome wordt vanavond vertoond in de Melkweg (Amsterdam), aansluitend treedt Pertti Kurikka Nimipäivät ook op, 19:30 uur, € 13,50