Antropoloog in het veld is nu goed te volgen

De antropologie is opgeschud door de fraude van Mart Bax, die vorige week aan het licht kwam. Hoe controleerbaar zijn onderzoekers in dit vakgebied eigenlijk?

Janneke Verheijen (geheel rechts) op veldwerk in Malawi Uit dissertatie Janneke Verheijen

Elf jaar na zijn emeritaat is politiek antropoloog Mart Bax door de mand gevallen. Zijn zonden liegen er niet om: een lange lijst met nooit geschreven artikelen en onderzoeksverslagen die neerkomen op pure fictie. Het geval Bax zaait opnieuw twijfel aan de geloofwaardigheid van de antropologie.

Dat is eerder gebeurd. De aanval van de Nieuw-Zeelandse antropoloog Derek Freeman, begin jaren 80, op zijn Amerikaanse collega Margaret Mead (1901-1978) en haar onderzoek op Samoa, liet de indruk achter dat veldwerkers in verre streken alles konden beweren, niemand kon het immers controleren.

Vakgenoten onderstrepen dat het antropologisch onderzoek intussen veel doorzichtiger is geworden. Maar de commissie-Baud, die de misstappen van Bax onderzocht, schrijft dat de gebruikte onderzoeksmethoden de antropologie kwetsbaar maken voor het verwijt dat uitkomsten niet te verifiëren zijn. Zo wil de beroepsethiek dat plekken en personen in monografieën en artikelen fictieve namen krijgen om informanten te beschermen. Bax ging daar ver in. Volgens de commissie gaf hij hetzelfde dorp in verschillende publicaties andere namen en trok hij zo een rookgordijn op.

Thijl Sunier is sinds 2009 hoofd van de afdeling antropologie aan de Vrije Universiteit, waar Bax tot 2002 hoogleraar was. Hij heeft Bax er niet meegemaakt. Sunier: „In de Antropologische Beroepsvereniging hebben we vorige week de vraag opgeworpen of de ontsporingen van Bax te maken hebben met specifiek antropologische onderzoeksmethoden. Ik vind van niet. Ook experimentele psychologie, ook biomedisch onderzoek bieden mogelijkheden om de boel te flessen. Bij antropologisch onderzoek – kleinschalig, gebaseerd op vertrouwensbanden – is men zich juist scherp bewust van het spanningsveld tussen vertrouwelijkheid en transparantie. Een onderzoeker moet zich tegenover collega’s kunnen verantwoorden over zijn bronnen. Bax heeft dat steeds geweigerd.”

Eilandjesvorming

Dat hij daarmee wegkwam, ligt volgens Sunier niet aan het vak, maar aan de bedrijfscultuur in de jaren 80 en 90. „De sociale wetenschappen in Amsterdam werden toen verscheurd door stromingenstrijd en eilandjesvorming. Collegiale kritiek werd al snel afgedaan als een zet van het andere kamp en dus genegeerd.”

Sjaak van der Geest is emeritus-hoogleraar medische antropologie aan de Universiteit van Amsterdam en promoveerde op een proefschrift over Ghana, waar hij jaren veldwerk deed. Hij ziet bij Bax de verhalende traditie in de antropologie ontsporen. „Wij beweren dat we het gewone leven beschrijven, maar dat is nogal saai. Kijk je naar gevalstudies in etnografieën, dan zie je dat die bijna altijd over conflicten gaan. Het dramatische laat zich indringender en gemakkelijker beschrijven dan het alledaagse. Daar steekt geen kwaad in, maar het kan misgaan. Zoals in dat Bosniëverhaal van Bax, waarin hij een groot aantal doden verzint. Niet te excuseren. Hij wilde het verhaal blijkbaar ‘mooier’ maken dan het al was.”

Solitaire cultuur

Een andere eigenaardigheid die de antropologie kwetsbaar maakt, is de vanouds solitaire onderzoekscultuur: eenlingen die een tijdlang onderduiken in een andere samenleving. De Britse antropoloog Bronislaw Malinowski (1884-1942) was de pionier van het etnografische veldwerk en een van de zeldzame westerlingen op de Trobriand-eilanden. Die archipel voor de kust van Nieuw-Guinea werd zelfs het exclusieve onderzoeksterrein van Malinowski. Na hem zijn er vele antropologen geweest die als enige westerlingen toegang hadden tot een niet-westers volk. Hun werk was vaak oncontroleerbaar.

Zo gaat het nu allang niet meer, zegt Peter Geschiere, hoogleraar antropologie van Afrika aan de UvA. De internationalisering van het onderzoek was een grote stap naar meer controleerbaarheid. „In de jaren 70 was de wetenschap in Nederland veel minder internationaal dan nu. Ik heb mijn proefschrift over Kameroen nog in het Nederlands geschreven, en hier werken maar een paar antropologen op Kameroen. In de wereld zijn dat er veel meer, en die houden je echt wel in de gaten als je in het Engels of Frans publiceert. Steeds meer informanten lezen ook zelf wat je schrijft. Als ik idiote dingen beweer, krijg ik dat voor mijn kiezen. Bovendien trek ik in Kameroen al jaren op met lokale onderzoekers. Die veranderde praktijk heeft meer effect dan allerlei nieuwe controleprocedures. Als ik zie hoe in 2005 bij een periodieke evaluatie al die nepartikelen van Bax zijn gemist, zie ik daar weinig heil in.”

Steeds grotere projecten

Ook de onderzoekscultuur is veranderd; onderzoek wordt steeds meer teamwerk. Van der Geest is daar niet enthousiast over: „Instanties als WOTRO en NWO dwingen ons tot steeds grotere projecten, waar veel mensen aan meewerken. Dan moet ik als eerste auteur van een artikel schrijven over mensen en situaties die ik nooit heb gezien. Want dat hebben dan weer anderen gedaan. Ik vind dat niks. Laat mij maar naar mijn dorp gaan, met mensen ouwehoeren en met vrienden ginds praten over mijn werk.

„Ik vind dit geen verbetering van de kwaliteit van het etnografisch onderzoek. Je staat dan te ver van je materiaal af, waardoor de zintuiglijke en emotionele facetten van het onderwerp je ontgaan. En daarin ligt juist onze kracht.”