Ze wilde bestáán, ten koste van alles

Marjoleine Oppenheim schreef een boek over haar moeder, die concentratiekampen overleefde. „Elke dag was een overwinning op de nazi’s die haar hadden willen afmaken.”

Marjoleine Oppenheim: „Al die overlevers, ze waren misschien niet zulke goede ouders.” Foto Bram Budel

De hond is uit wandelen gestuurd, want hij kan nogal wild zijn en „misschien”, zegt Marjoleine Oppenheim, „ben jij wel bang voor honden.”

Met de gratie van een ballerina loopt ze naar de keuken en komt terug met schaaltjes frambozen en reine-claudes. Er zijn bonbons van de chicste chocolatier van Amsterdam. Door de open balkondeuren schijnt de zon naar binnen.

Ze heeft, op haar 55ste, een boek over het oorlogsverleden van haar moeder geschreven en hoe dat haar eigen leven beïnvloed heeft. Haar moeder werd als meisje van begin twintig naar Auschwitz gedeporteerd en geselecteerd voor de medische experimenten van Herr Professor Clauberg, een gynaecoloog uit Oostenrijk.

Vanaf 1981 deelde haar moeder haar leven met Loe de Jong, die de veertien delen van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog schreef en directeur was van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Ze raakte bevriend met prins Claus en reisde met hem en zijn zoons naar Auschwitz om hun over haar belevenissen daar te vertellen. Dat was in 1995. Marjoleine Oppenheim en haar broer waren erbij.

Waarom heb je het nu pas opgeschreven?

„Omdat mijn moeder eerst dood moest zijn. Ze was nogal overwhelming, zal ik maar zeggen.”

Ze stierf in 2004.

„Ja, en toen heeft het nog jaren geduurd voordat ik eraan begonnen ben. Eerst ging Loe dood, acht maanden na mijn moeder. Ik moest het huis opruimen en ik was in de rouw, ondanks de opluchting. Ik miste haar. Ik was de laatste jaren voor haar dood meer van haar gaan houden.”

Was ze lang ziek?

„Dat weet ik niet, want ze ontkende het. Wie ziek was, werd vergast. Maar eind 2003 ging ze naar de longarts en toen bleek dat plekje op de foto longkanker te zijn.”

Zelf, zegt ze, is ze ook nooit ziek. En als ze het toch is, praat ze er niet over. Nog zoiets: lang liet ze zich nergens registreren als het niet per se nodig was. Geen Facebook. Geen LinkedIn. Geen bonuskaart. „Ik hoorde altijd mijn moeders stem: zorg dat ze je niet kennen, ze kunnen elk moment weer op de Afsluitdijk staan. Ik was er trots op dat niemand mij op internet kon vinden.”

Met je boek doorbreek je dat.

„Het maakt me nu niets meer uit om zichtbaar te zijn. Ik wil laten zien op welke bijna onzichtbare manier ouders hun geschiedenis aan hun kinderen doorgeven. Het doorgeven zit vaak in zulke kleine dingen. Iemand vertelde me dat zijn vader ’s avonds de gordijnen altijd nog een keer extra goed dichttrok, ook als zijn moeder het al gedaan had. Hij dacht er nooit over na, totdat hij een keer aan zijn vader vroeg waarom dat was. Die vertelde toen dat hij als jongeman in voormalig Joegoslavië op een avond met vrienden had zitten kaarten aan de keukentafel. Een van die jongens was door een kier in de gordijnen neergeknald.”

Je beschrijft hoe je moeder wegkeek toen je als meisje eens een blauw sjaaltje om je haar had geknoopt.

„Het herinnerde haar aan de Griekse meisjes die na een ingreep door professor Clauberg drie dagen lang lagen te creperen van de pijn in hun buik voordat ze dood waren. Die meisjes hadden kleurige hoofddoekjes om gehad toen ze opgewekt zingend in Auschwitz uit de trein stapten.”

Hoe oud was je toen je doorkreeg wat je moeder voor verleden had?

„Een jaar of twaalf. Maar daarvoor, de terloopse manier waarop nieuwe buren naar het nummer op haar arm keken – zo’n moeilijk onderwerp – en vervolgens geleidelijk aan alle contact verbraken. Je weet al heel jong dat er iets is.”

Vroeg je aan haar hoe ze aan dat nummer kwam?

„Nee, want het was er gewoon. Het hoorde bij haar. Je vraagt ook niet aan je moeder waarom ze ogen heeft, of een neus.”

Je beschrijft hoe je moeder op het laatste moment wist te ontkomen aan de ingreep van Clauberg.

„Hij zou haar onvruchtbaar gaan spritzen. Ze zou op de operatietafel moeten gaan liggen en dan zou er zonder verdoving een of ander middel ingespoten worden, waardoor de eileiders zouden verkleven en afsterven. Of hij zou haar eileiders verpulveren met röntgenstralen en na een paar dagen verwijderen.”

Wanneer vertelde ze je daarover?

„Pas toen ik volwassen was. Het feitelijke verhaal – hoe ze was opgepakt met haar valse persoonsbewijs door een jongen die haar nog van school kende, haar verblijf in Westerbork en de deportatie naar Auschwitz en later Bergen-Belsen – dat kende ik wel. Maar toen ik volwassen was, begon ik andere vragen te stellen. Ik vroeg: waarom heeft Clauberg niets bij jou gedaan?”

Wat antwoordde ze?

„Ze had altijd gezegd dat ze geluk had gehad. Ze zag er leuk uit en daarom had ze er nooit aan hoeven geloven. Later vertelde ze dat ze, toen ze aan de beurt was, had besloten om te weigeren. Ze stond in de deuropening van de operatiezaal en zei, in het Duits: ‘Ik zou hier toch graag gezond en intact uit willen komen, dus ik wil liever weer terug naar boven’. Clauberg had haar aangekeken en een kort gebaar met zijn hand gemaakt: wegwezen.”

Geloofde je haar?

„Ik vroeg: dus je kon daar een gesprek voeren? En: hoe kon het dat je zo goed Duits sprak? Dat laatste was te verklaren, want ze had familie in Duitsland gehad en vanaf 1936 woonde een deel van hen tijdelijk bij hen thuis. Haar Duits was beschaafd, ze kende de beleefdheidsvormen en daardoor trof ze bij Clauberg de juiste toon.”

Zei ze.

„Ja... Ja... Ze was mooi en dapper, en daardoor dwong ze, denk ik, zoveel respect af dat Clauberg niet aan haar durfde te beginnen. Ze werd niet voor straf naar de gaskamer gestuurd. Dat er in haar plaats andere vrouwen gespritzt werden – daar had ze het nooit over. Maar dat wist ze natuurlijk wel.”

Was dat haar grootste trauma?

„Haar grootste trauma was dat haar het gevoel van eigenwaarde volledig was ontnomen. Daarna, na de oorlog, wilde ze bestáán, desnoods ten koste van haar omgeving. Elke dag was een overwinning op de nazi’s die haar hadden willen afmaken.” Ze glimlacht. „Al die overlevers, ze waren misschien niet zulke goede ouders.”

Waarom zeg je het zo voorzichtig?

„Het is een taboe. Ze zijn eruit gekomen en ze hebben nageslacht gekregen. Om dan te zeggen: je bent niet zo’n goeie moeder, of vader, dat is wreed.”

Kan het doorgeven van een trauma gestopt worden?

„Dat denk ik wel. Als mijn zoon aan mijn moeder vroeg wat voor nummer ze op haar arm had, dan wilde ik dat ze zei: dat vertel ik je later wel. Als ik een nieuw huis had met een walk in closet, dan wilde ik niet dat ze zei: wat een goeie onderduikplek.”

En daar luisterde ze naar?

„Ja. Ze begreep het. Maar haar gewoontes... Ze heeft mijn zoon eens bijna vergiftigd met een van die kliekjes van haar, want ze gooide natuurlijk nooit iets weg. En dan de ongebreidelde controlezucht van mijn moeder. De angst dat mijn broer en ik niet meer thuis zouden komen na een avondje uit. Mijn zoon heeft wat dat betreft eerder te veel dan te weinig vrijheid van mij gekregen.”

Wat een vorm van doorgeven is.

„Zeker. Hij mocht ook nooit ziek zijn.”

Ze pakt een blocnote en haalt er een paar volgeschreven blaadjes uit. „Hier wilde ik het met je over hebben”, zegt ze. „De foto op de cover van het boek bijvoorbeeld – je ziet dat mijn moeder wel bij me was, maar niet mét me.” Haar moeder draagt een zonnebril, maar achter de donkere glazen is te zien dat ze van haar dochter wegkijkt. „Ze was altijd dáár. Altijd op haar qui-vive. Daardoor was er zo’n enorme afstand tussen haar en mij. Terwijl ze haar leven geriskeerd heeft om vruchtbaar te blijven en mij en mijn broer te kunnen krijgen. Vanaf mijn dertiende, veertiende begon ik te graven in al die kampdingen. Ik heb er eindeloos veel over gelezen. Dat bracht me voor mijn gevoel dichter bij haar.”

Wilde ze dat, dat je erover las?

„Ze was vaak te veel met zichzelf bezig om het op te merken. De jaren tussen mijn 13de en mijn 18de, die waren gruwelijk. Het verbale geweld... Het fysieke geweld... Wederzijds hoor. Ik deed mijn uiterste best om haar diep en diep kwetsen.”

Lukte dat?

„Zeker. Dan spraken we af hoe laat ik zou thuiskomen en dan kwam ik niet. Ik stortte me expres in allerlei gevaarlijke situaties met veel oudere mannen en daar vertelde ik haar dan over. Dat vond ze echt verschrikkelijk. Op mijn 23ste ben ik met de vader van mijn zoon naar Parijs verhuisd en daar ben ik zestien jaar gebleven. Het was de enige manier om het te doorbreken.”

Ze vertelt over de winkels die ze daar met haar man opzette. Ze importeerden haring en paling uit Nederland en later verkochten ze ook zalm en kaviaar en allerlei andere delicatessen. Sommige van de winkels veranderden in restaurants. In 1997 keerde ze, gescheiden, terug naar Nederland. Nu heeft ze een bedrijf dat HetNieuweSchoolplein heet. Ze richt schoolpleinen opnieuw in. Ze trouwde met een psychiater en kreeg er voor de helft van de tijd zijn twee dochters bij.

Heb je dat ondernemende van je moeder?

„Nee, van mijn vader. Die komt uit een geslacht van ondernemers. Hij had een drukkerij. Mijn moeder was meer...” Ze onderbreekt zichzelf en zegt: „Eén keer heeft ze haar geluk niet gepakt, hè. Dat was nog in Westerbork. De dag voordat ze op transport zou worden gesteld, kreeg ze de kans om weg te lopen. Ze heeft het niet gedaan.”

Waarom niet?

„Ze had een gelegenheidshuwelijk gesloten met Heinz van Mindeno, een Joodse jongen uit Duitsland. Hij had een baantje binnen de kamporganisatie en was vrijgesteld van transport. Hij kon haar beschermen. Toen ze een paar maanden later toch samen op de lijst stonden, vond ze dat ze met hem moest meegaan. Als ze was weggelopen, was haar hele barak in haar plaats gegaan.”

Je beschrijft hoe je moeder veranderde toen ze Loe had leren kennen.

„Ze pasten op een vanzelfsprekende manier bij elkaar. Het samenzijn met hem gaf haar rust. Zijn kracht was dat hij zich gemakkelijk aanpaste en weinig eisen stelde. ’s Avonds wilde hij een kop soep en gezelligheid, overdag zat hij altijd te schrijven.”

Ze vouwt de blaadjes met aantekeningen op en zegt: „Zo bizar, mijn moeder die voor de tweede keer naar Auschwitz ging, maar nu aan de arm van een prins.”

Hoe kwam dat zo?

„Loe was bevriend met Beatrix en Claus, en toen hij mijn moeder had leren kennen, heeft hij haar aan hen voorgesteld. Op een zeker moment vroeg Claus aan mijn moeder of ze hem en zijn zoons Auschwitz wilde laten zien. En toen wilde zij dat mijn broer en ik meegingen.”

Waarom wilde Claus naar Auschwitz?

Ze staat op en pakt de biografie van Beatrix, geschreven door Jutta Chorus, waar een foto in staat van Claus als soldaat in het Duitse leger. Zijn ogen zijn neergeslagen terwijl hij door een meerdere wordt toegesproken. „De schaamte die hij gevoeld moet hebben over het apparaat waar hij deel van had uitgemaakt, de pijn – iets daarvan heeft hij willen laten zien aan zijn zoons.”

Wat deed het bezoek met jou?

„Hannah Arendt schrijft: het pervers slechte is niet zichtbaar, het verdwijnt in het gewone. De poort met ‘Arbeit macht frei’, die was helemaal niet zo hoog. Je loopt langs een keurige rij kazernes, je hoort vogeltjes fluiten. Wat bij mij is blijven hangen is het geluid van het grind onder mijn schoenen, de muffe lucht van de barak waar mijn moeder was ondergebracht, de kilte van de operatietafel in het laboratorium van Clauberg.”

Voelde je je vrij om over Claus en zijn zoons te schrijven?

„Ja. Maar ik heb het manuscript wel voor publicatie naar Beatrix gestuurd. De reactie was positief.”