Tot op het bot en verder

Dirigeren, daar heeft Reinbert de Leeuw echt plezier aan. Met componeren is hij al ‘veertig keer definitief gestopt’, zegt hij bij een half roerei. Dit is zijn jubeljaar.

tekst Rinskje Koelewijn foto Ilja Keizer

Dirigent Reinbert de Leeuw: „Dirigenten hebben een mythische status gekregen. Een grote egoshow.”

Maandagmiddag, Brasserie Keyzer, Amsterdam. Dit zou wel eens een lastige lunch kunnen worden. Reinbert de Leeuw – dirigent, pianist, componist – waarschuwde van tevoren dat hij „een piepkleine eter” is, en zijn assistent zei vast niet zomaar dat „Reinbert niet graag over Reinbert praat”. De maand september was zo’n beetje Reinbert-maand. Hij werd 75, hij vierde zijn vijftigjarig jubileum als docent aan het Haagse conservatorium, hij won drie grote prijzen. Hij kreeg een festival, een cd-box, concerten in Amsterdam en Den Haag, er zou een biografie van hem verschijnen. Als hij het niet over hem wil hebben, waar moet het gesprek dán over gaan?

Al met al viel het natuurlijk reusachtig mee. Nou ja, dat van de eetlust klopte. Hij gaf de menukaart schielijk aan de ober terug. „Ik hou niet van warm eten.” Uiteindelijk capituleerde hij voor een roerei, dat hij nog niet voor de helft opat. Maar verder? Verder was hij... heel vriendelijk. Uitgelaten als een jong berggeitje, vermomd als tanige, grijze man. „Mijn leeftijd en ik stemmen niet overeen”, zegt hij. Dat 75 een mijlpaal is, is hem niet ontgaan met al die festiviteiten en verrassingen speciaal voor hem. „Maar ik denk steeds: dit kan allemaal niet op mij slaan.” Hij grinnikt. „Ik heb mooi een extra maandsalaris gekregen van het conservatorium.” Hij werkt er al een halve eeuw één dag in de week.

Alsof het zo was afgesproken, kreeg hij deze verjaardagsmaand ook nog de Amsterdamprijs, de Theo Bruinsprijs en de Edison Klassiekprijs. De eerste twee voor zijn ‘jarenlange inspanningen’ en ‘buitengewone betekenis’ voor de muziek, de laatste voor zijn pianospel. Er is, zegt hij, op het moment iets heel wonderlijks aan de hand. Hij zal er eerlijk over zijn en niet nodeloos bescheiden: „Ik geniet geweldig van alle aandacht.” Het applaus dat maar niet lijkt op te houden, raakt hem, zegt hij. Zozeer dat hij bijna zelf begint te geloven dat hij écht iets goeds heeft gedaan voor de muziek.

Reinbert de Leeuws blauwe ogen zetten zijn woorden kracht bij: wat hij zegt is belangrijk, of héél belangrijk. „De essentie van muziek maken, is erachter komen wat de componist ermee bedoelde.” Reinbert de Leeuw voert als dirigent, met ‘zijn’ Asko|Schönberg ensemble vooral modern werk uit van componisten uit de twintigste en eenentwintigste eeuw. Levende componisten, die hij kan vragen hoe ze willen dat het klinkt. De Hongaar György Ligeti, de Fransman Olivier Messiaen, de Nederlanders Peter Schat en Louis Andriessen nodigde hij uit bij hem in de repetitiezaal. „Je kijkt naar de gezichtsuitdrukking, de expressie van het lichaam. Hoe reageert hij? Wil hij het zo?” Heel wat dirigenten dulden geen componist naast zich, zegt De Leeuw. „Zeker niet iemand als Ligeti. Die wilde altijd meer, meer, meer. Wrong alles uit de musici, kreeg een toeval als het hem niet beviel.” En dan? „Dan ging ik met hem mee tot op het bot, en verder als het moest.”

Ook werk van een dode componist moet worden gespeeld alsof er gisteren nog met hem is gebeld. „Vergeet hoe anderen het uitvoerden. Ga naar de bron.” Reinbert de Leeuw drukt nu met twee handen op zijn slapen, alsof hij zijn gedachten eruit wil persen. „Hoe kan iemand zo’n ontzaglijk oeuvre schrijven? Alleen al zoiets prachtigs als de Matthäuspassion? Hoe was Bach toen hij ‘Erbarme Dich’ componeerde, waar mensen driehonderd jaar later nog tranen van in de ogen krijgen? Wil je zijn muziek begrijpen, dan moet je weten hoe zijn leven was. Stond hij ’s ochtends vroeg op, ging hij aan zijn bureau zitten en schreef een meesterwerk? En dan de week erop weer? Zal wel gemoeten hebben, want hij had 21 kinderen en hij is jong gestorven. Veel tijd had hij niet.”

Hoe goed moet hij een componist kennen om zijn werk te begrijpen? „Je moet de omstandigheden weten. Biografische feitjes zijn irrelevant.” Heeft hij daarom soms de biografie die deze maand over hem zou verschijnen niet geautoriseerd? Hij schudt onwillig zijn hoofd. „Ik vind: het gaat in het leven niet om wie je bent, maar om wat je doet. Een boek over mij moet gaan over de muziek.” En het ging te veel over Reinbert? „Ik ben geen groot biografielezer. Wat heb ik eraan om te weten dat een groot iemand ook kleine kanten heeft? Waarom zou ik van Bach moeten weten dat hij niet aardig was voor zijn kinderen? Het is ongetwijfeld wáár. Maar wat voegt het toe? Wat zegt het over zijn muziek?”

Moeten mensen iets van Reinbert de Leeuw weten, om hem als pianist en componist te waarderen? Hij vindt vast van niet. Voor wie het wil weten, dit is wat hij terloops over zichzelf vertelt. Hij is de middelste zoon van twee psychiaters, hij groeide op in Amsterdam, kreeg toen hij zes was pianoles „omdat dat zo hoorde”, ging Nederlands studeren „omdat ik van lezen hield” en hield daar weer mee op „omdat ik toch de hele tijd piano zat te spelen”. Allebei zijn ouders waren al overleden toen hij op zijn twintigste naar het conservatorium ging. Hij studeerde er piano en compositie, dirigeren heeft hij zichzelf later aangeleerd. Componeren, van jongsaf aan zijn grote liefde, veranderde gaandeweg in zijn wraakgodin. Wat zo vanzelfsprekend was toen hij elf was – apetrots voerde hij een zelfgeschreven treurmars in b-mineur uit op het podium van de Willemsparkschool – werd een lijdensweg. Ja, in zijn hoofd, daar schreef hij meesterwerken. Maar de weg van hoofd naar papier was vol wanhoop.

Abschied

Nu we bij dit onderwerp zijn aanbeland, kronkelt hij op zijn stoel als een slang met buikpijn. Een keer, zegt hij, één keer heb ik het leuk gevonden om te doen. Dat was toen hij Im wunderschönen Monat Mai schreef, in 2003. „In een flits was het er. Alsof de compositie al bestond, en ik hem alleen nog even op moest schrijven.” Nadien is hij definitief gestopt met componeren. Hij was al eerder definitief gestopt, in 1973, na zijn symfonische gedicht Abschied. „Ik verdroeg de gedachte niet dat alles wat ik produceerde al duizend keer eerder was gedaan, en duizend keer beter. Hoe ouder ik werd, hoe meer ik leerde over muziek, hoe meer ik besefte hoe verschrikkelijk veel prachtigs er al is. En hoe weinig ik daaraan heb toe te voegen.”

Hij is, zegt hij, niet opgewassen tegen al die schoonheid. „Dan hoorde ik weer iets....” Hij grijpt nu met twee handen in zijn haar, alsof hij ter plekke iets hemels hoort. „Oooh. Wow. Zo mooi. Dat ga ik meteen uitvoeren.” Hij houdt te veel van muziek om het te kunnen componeren? „Zoiets. Ik zwalk. Ik laat me meeslepen.” Hij zet zijn handen nu als oogkleppen op zijn gezicht. „Een componist moet niet alles binnenlaten. Hij moet zijn eigen weg kiezen. Daar was ik niet sterk genoeg voor.” En dus? „Dus moest ik erkennen dat ik mijn leven beter kon besteden. Dirigeren. Zelf uitvoeren. Daar heb ik wél plezier in. Je vlucht voor het componeren, zeiden mensen. Nou en? Als ik daar nou zelf niet onder lijd?”

Dirigeren is toch ook minstens zo knap als componeren, troost ik. Hij stuift op. Hoe kóm ik erbij. „Dirigenten hebben een mythische status gekregen. Een grote egoshow. Een beroemde dirigent voert een werk uit en verdient daarmee in een week meer dan wat de componist voor het schrijven ervan kreeg. Een wanverhouding.” Over honderd jaar kent niemand nog de naam van de dirigent. Wel die van de componist. „Een goede componist creëert iets wat er eerder niet was. Hij verandert de wereld een klein beetje.” Wat hij mateloos bewondert, zegt hij: „Dat je na één akkoord al weet wie je hoort.” Nooit mateloos jaloers? „Ik denk soms: had ik het ook maar. Maar bitterheid zit niet in me.” Hooguit is hij weleens jaloers geweest op Louis Andriessen, componist en al jarenlang zijn vriend. „Op zijn zesde stond vast dat hij componist zou worden, zijn vader was het ook. Die vanzelfsprekendheid, die voorsprong, dat hij zonder strijd naar het conservatorium kon. Ja, dat had ik ook wel gewild.”

Componeerdrang

In februari 2014 zal het Nederlands Filharmonisch orkest een nieuw muziekstuk van hem spelen. Dus toch weer? „Ja, ja. Ik dacht altijd: ik merk het vanzelf wel als de componeerdrang te sterk wordt.” En dat was nu? „Ik ben de afgelopen twee jaar ook weer veertig keer definitief gestopt.” Maar? „Toen lag er al een jaar werk. Om dat nou weg te gooien. Dat vond ik zo’n nederlaag. Het slot had ik. Ik moest er alleen nog naartoe zien te komen.” En, is het gelukt? „Ik ben met de partituur naar Louis gegaan. 133 pagina’s met zo vreselijk veel noten. Ik zei: ik doe hierin allemaal dingen die jij vreselijk vindt. Hij zei: hoe meer hoe beter.” En wat vond hij ervan? „Hij leek het, godlof, behoorlijk goed te vinden.”

Hij heeft zijn compositie zelf nog niet gehoord. Pas volgend jaar, vijf dagen voor het concert, gaat hij met het orkest repeteren. „Vraag me niet hoe ik me dan voel. Ik krijg al maagpijn als ik er aan denk. Het idee dat mensen naar mijn muziek luisteren.” Hij dirigeert het zelf. „Dan kan ik het in de hand houden.” Hoe denkt hij dat het klinkt? „Geen idee. Dit stuk lijkt op niks dat ik ken.” Misschien vindt hij het wel... mooi? „O nee”, zegt hij. „Het erge is, je schiet altijd tekort. Het is nooit helemaal goed. Ik ben wel eens heel dichtbij geweest. Maar het kan altijd beter.”