Tieten voor Rotterdam? Dan wel echte graag

Rotterdam wil meer vrouwen aantrekken. Voor machismo is daarom geen plaats meer, behalve als de hangjongeren moeten worden verjaagd, constateert Marguerite van den Berg.

De Rotterdamse Westerkade aan de Maas foto anp

Onlangs stelde de Rotterdamse wethouder Hamit Karakus (PvdA) dat zijn stad ‘tieten’ nodig heeft. Hij is de enige niet. In 2008 pleitte wethouder Marianne van den Anker (Leefbaar Rotterdam) voor een ‘rondborstiger’ Rotterdam. De stad bestond volgens haar toch vooral uit fallussen. Dat geldt ook voor andere steden vol glazen torens. Maar daar pleiten bestuurders niet direct voor ‘tieten’ of ‘borsten’.

In de Rotterdamse context staan deze pleidooien voor de ambitie om de stad te transformeren. Rotterdam moet een ‘city lounge’ worden: een stad voor consumptie in plaats van productie. Een forse opgave voor een stad die bekend staat als ‘werkstad’. Ik vraag mensen soms waar ze aan denken bij Rotterdam. De haven, natuurlijk, en de bijbehorende industrie en mannen met spierballen. Feijenoord, de Kuip. Daarna volgen overlast, armoede, immigratie en hangjongeren.

Rotterdam heeft last van het imago van de industriestad – al wil ze tegelijk de grootste haven blijven. Sinds de jaren zeventig is veel industrieel werk geautomatiseerd of verhuisd naar andere delen van de wereld. En er is onvoldoende voor in de plaats gekomen. Het industriële, stoere en mannelijke imago past niet langer bij de reële situatie en al helemaal niet bij het wensbeeld van een economisch succesvolle stad vol creatieven. Rotterdam wil dus af van armoede, van een modernistisch stadscentrum,van moeders in de bijstand.

Wat moet Rotterdam dan worden? De stad is onzeker over de toekomst. Columnist Wilfried de Jong karakteriseerde Rotterdam bij het vertrek van NRC Handelsblad naar Amsterdam als een stad met haast. „De stad vecht zich dood om op iets te lijken wat er nog niet is.”

Rotterdam staat daarin niet alleen. Vrijwel alle voormalige industriesteden in het Westen voeren een strijd om het industriële verleden achter zich te laten. Marseille, Genova, Manchester, Hamburg; ze proberen nieuwe economieën te stimuleren door aantrekkelijker te worden voor bezoekers, bedrijven en bewoners. Die nieuwe economische bedrijvigheid moet vooral ontstaan in de dienstensector, in traditioneel vrouwelijke beroepen zoals zorg en horeca. Een diensteneconomie is vaak niet blue collar maar pink collar. In zo’n diensteneconomie is minder plaats voor machogedrag.

Vrouwelijkheid en mannelijkheid zijn instrumenten van stadsplanning en stadspromotie geworden. Rotterdam wil vrouwelijker worden zonder alle spierkracht te verliezen: een spierbundel met borsten.

Toch, de ‘tieten’-retoriek en de stadspromotie van Rotterdam in zijn geheel zijn behoorlijk macho. De machotaal van ‘geen woorden maar daden’ en ‘opgestroopte mouwen’ is wat er van de haven overblijft. Het is spierballenvertoon, maar dan bedoeld om een vrouwelijker beeld te scheppen: dat van een lounge waar cocktails en cappuccino’s worden gedronken. Waar gezinnen midden in de stad wonen in plaats van in tuinsteden en waar de modernistische stadsplanning plaats maakt voor gemengde stadsfuncties en ruimte voor tweeverdieners.

In dit verbeelde Rotterdam is voor hangjongeren minder plaats. Voor hen geen citylounge maar een samenscholingsverbod. Geen cappuccino’s maar stadswachten. Komt het het stadsbestuur zo uit, dan weet dat bestuur het machismo nog prima in te zetten. En dan heeft het nieuwe stoere en rondborstige Rotterdam er toch alle schijn van een travestieact te zijn.