Pavlov-reactie bij sjoemelen: blijf van mijn privacy af

Wat begonnen was als een bevlogen beweging, bleek te kunnen afzakken naar het meest geduchte privacycentrum van de Hollander: zijn portemonnee, weet Herman Vuijsje.

Illustratie: Hajo

Uitstekend!’ Zo mocht het functioneren van de Utrechtse universiteitsbestuurders in 1997 waarachtig wel worden genoemd. Tenminste, dat vonden die bestuurders zelf. En dat uitstekend functioneren was ook gerust een douceurtje waard; daarom kenden zij zichzelf salarisverhogingen toe tot 35 procent. Toen het uitkwam, weigerde het college van bestuur commentaar te geven. Het beriep zich op de privacy: „Wij praten nooit over de situatie van individuele personeelsleden.”

En daarmee uit, want privacy is een groot goed. Ontkiemd in de emancipatie- en democratiseringsidealen van de jaren zestig, werd het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en onaantastbaarheid van het menselijk lichaam in 1983 grondwettelijk verankerd. Het privacystreven geldt als puur principieel en ethisch. Ook de in onze tijd gebruikelijke kritiek op doorgeslagen individualisering houdt er halt: privacy beschermt ons tegen ongrijpbare machten boven ons en is dus okay.

In werkelijkheid is ook het privacy-ideaal kwetsbaar voor besmetting met oneigenlijke motieven. Toen het werd geïnstitutionaliseerd in wetten en regelingen, raakte het verweven met belangen en werd het voorwerp van calculerende afwegingen. Wat begonnen was als een bevlogen beweging, bleek te kunnen afzakken naar het meest geduchte privacycentrum van de Hollander: zijn portemonnee. Een heilige koe als privacy bleek wonderwel geschikt als frontcover voor het afschermen van twijfelachtige zaakjes.

Er valt een lange lijst op te stellen van bestuurders en functionarissen die fouten maakten, sjoemelden of zichzelf bevoordeelden en die, zodra de media een vinger naar ze uitstaken, met dezelfde pavlovreactie kwamen: „Blijf van mijn privacy af!”

In werkelijkheid bedoelden ze: blijf van mijn poen af! Zo onthulde Elsevier in 2005 dat een aantal commissarissen van de koningin fors bij schnabbelde. De Kring van Commissarissen van de Koningin verzette zich tegen openbaarmaking van de bedragen. De nevenverdiensten behoorden tot de privacy van de provinciebestuurder.

Een vergelijkbaar geval van privacybevlogenheid speelde in 1993 in de Amsterdamse gemeenteraad. De gemeente had bij de inwerkingtreding van de Huisvestingswet verzuimd tijdig een Huisvestingsverordening te maken. Duizenden huiseigenaren maakten daarvan gebruik door gauw hun huis te splitsen zonder gemeentelijke vergunning. Vooral de CDA-fractie sprak er schande van. Totdat bekend werd dat ook CDA-raadslid en ex-wethouder Van Duijn zijn huis stiekem had gesplitst. Van Duijn was woedend over deze bekendmaking: zijn privacy was geschonden!

Maar het zijn niet alleen hoge heren die de zegeningen van een hoge privacystandaard tellen. Nederlanders van hoog tot laag tonen zich hierin één. In 1993 beklaagde een inbreker zich in de Volkskrant dat hij de buit van zijn juwelendiefstallen niet meer in gehuurde kluisjes kon opbergen: de FIOD maakte alles open. „Schending van de privacy”, brieste hij. „De burgerrechten worden teniet gedaan.”

Medici die het niet zo nauw nemen met de wet hebben meer geluk: zij kunnen zich beroepen op hun beroepsgeheim. Zo werd in 2012 de Rotterdamse psychiater Sinan G. verdacht van miljoenenfraude door jarenlang valse diagnoses te stellen en de uitkeringspenningen te delen met zijn ‘zieke’ cliënten. Zijn reactie: „Vanwege mijn beroepsgeheim kan ik niets over mijn patiënten zeggen.”

Rabo-ploegarts Geert Leinders verkoos juni dit jaar dezelfde uitweg na publicaties in NRC Handelsblad over de aanschaf in 2007 van een ‘bloedmachine’. Met dat apparaat kon worden nagegaan hoeveel bloeddoping aan wielrenners kon worden toegediend zonder dat dit bij controle zichtbaar werd. Leinders weigerde ieder commentaar: beroepsgeheim!

In al deze gevallen werd het recht op privacy misbruikt om ongeoorloofd winstbejag af te dekken - winstbejag ten koste van niemand in het bijzonder, waarvan de gemeenschap de rekening betaalt. Maar een beroep op privacy leent zich evenzeer voor kwesties waarbij duidelijk aanwijsbare slachtoffers vallen.

In zeer ernstige mate gebeurde dat bij de Q-koortsepidemie van 2009, toen duizenden mensen besmet raakten en tientallen stierven. Het ministerie van LNV weigerde de identiteit van besmette geitenhouderijen aan de GGD’s bekend te maken - uit eerbied voor hun privacy.

Een ander voorbeeld deed zich voor in 2011, toen uitkwam dat aartsbisschop Simonis in 1991 een pedoseksuele priester tot pastoor in Amersfoort had benoemd. Deze ‘priester Ron’ was eerder veroordeeld voor kindermisbruik in Zoetermeer. Simonis, die bevriend was met Ron, hield die veroordeling geheim voor de Amersfoortse parochie, waarop Ron zich daar opnieuw aan minderjarige jongens vergreep. Simonis verklaarde dat destijds gekozen was voor ‘terughoudende informatieverstrekking’ in het belang van ‘de privacy van de betrokken priester’.

Ook waar slachtoffers vallen, ontzien verdachten en hun vriendjes zich dus niet om zich te verschuilen achter dit nobele beginsel. Maar wacht eens even... hebben die slachtoffers eigenlijk óók geen recht op privacy? Zo leuk is het niet om met al je persoonlijke ellende op tv te komen. Sommige aanstichters van die ellende zijn zo begaan met de persoonlijke levenssfeer van hun slachtoffers dat ze met een beroep daarop hun kiezen op elkaar houden.

In 2002 deed het Joegoslaviëtribunaal dat jegens verdachte Slobodan Milosevic. De voormalige Joegoslavische president bleek in de Scheveningse strafgevangenis verkeerde medicijnen te hebben gekregen, waardoor zijn bloeddruk sterk was gestegen. Het tribunaal ontkende dat er fouten waren gemaakt en wilde verder niet op de zaak ingaan. Reden: de privacy van Milosevic!

Falende functionarissen kunnen de privacy van de door hen gedupeerden dus tégen hen gebruiken, uiteraard zonder dat die gedupeerden daarom hebben gevraagd. Ook van deze meest brutale vorm van privacymisbruik valt een hele lijst voorbeelden op te stellen. Het meest recente is dat van de gehandicapte ‘Roelie’ die in 2012 door haar begeleidsters van zorginstelling Novo werd doodgedrukt in een poging haar in bedwang te houden. Novo probeerde het uitzenden van de bewakingsbeelden waarop het gebeuren te zien was, te verbieden omdat de privacy in het geding kon komen. De privacy van de begeleidsters, maar ook die van het slachtoffer.

Tot woede van Roelies zussen en de Centrale Familieraad van Novo klapte de Raad van Bestuur van Novo een paar dagen later in een NRC-interview zelf uit de school over Roelies psychische aandoening. Nu zij in het nauw waren gebracht, vonden de bestuurders Roelies privacy blijkbaar niet meer zo belangrijk. Zij benaderden privacy dus niet meer als een onaantastbaar ideëel goed, maar als een flexibel gegeven waarop je een beroep kan doen als het in je kraam te pas komt.

Ook hier geldt dat het niet alleen om hoge heren gaat. Anderen doen zich eveneens tegoed aan privacy à la carte. In 1994 vroeg heel Nederland zich af of het waar was dat ‘Yolanda uit Epe’ slachtoffer was geweest van incest en seksueel misbruik. Zij beschikte over een dagboek met aantekeningen uit de betreffende periode, maar wilde nog geen pagina daarvan aan de rechtbank ter inzage geven. Waarom niet? „Omdat ik ook enig recht op privacy heb.” Korte tijd later verscheen Yolanda’s gedetailleerde boek en droeg zij haar verhaal op alle denkbare manieren uit.

Yolanda was geen uitzondering, kunnen we achteraf vaststellen - ze was een trendsetter. Tegenwoordig is deze dubbelzinnige houding ten opzichte van privacy wijdverbreid. Aan de ene kant kunnen we woedend worden als iemand zonder toestemming persoonlijke feiten over ons naar buiten brengt. Aan de andere kant zetten we ons met ons hele hebben en houden te kijk op sociale media, anders krijgen we geen aandacht en kunnen we het wel schudden in het leven. Het gaat dus niet meer om privacy als zodanig, maar om de context. Wie brengt wat naar buiten? Gevraagd of ongevraagd? Voordelig voor mij of onvoordelig?

Voorjaar 2011 opende de Amerikaanse animatieserie South Park zijn vijftiende seizoen met een satirische aanval op Apple. Een van de jeugdige hoofdpersonen, Kyle, heeft zonder ze te lezen de gebruiksvoorwaarden ondertekend en blijkt zich nu als willoos object te hebben uitgeleverd aan Steve Jobs, die hem vervolgens tot slaaf maakt en de verschrikkelijkste dingen met hem uithaalt.

Hetzelfde lot zou in principe iedereen kunnen treffen. Wie leest alle gebruiksvoorwaarden die hij aanvinkt? Wie neemt de moeite zich op het internet de cookies van het lijf te houden? Wie weigert de Albert Heijn bonuskaart te gebruiken? Het levert geld en gemak op als je privacy afstaat. Alleen een enkele diehard maakt zich daar nog druk over.

Ook het ‘koppelen’ van databestanden met persoonsgegevens heeft al lang zijn omineuze klank verloren. Een recordaantal afgeluisterde telefoongesprekken, Obama die in onze emails kan loeren, steeds meer bewakingscamera’s en kenteken-scanners, de krakkemikkige afscherming van het elektronisch patiëntendossier - het roept bij Nederlandse burgers en politici hoogstens een rimpeling van protest op. Het jarenlange taaie verzet tegen het afstaan en opslaan van DNA-gegevens komt ons nu als folkloristisch voor.

In de jaren zeventig ontketende een tot extreme proporties uitgedijd privacytaboe een volksopstand tegen zoiets bescheidens en nuttigs als de volkstelling. Vanaf de jaren negentig toonde de reikwijdte van het privacytaboe een nieuwe krimp. De risico’s van gegevensmisbruik zijn nu minder spectaculair dan in het ‘grote verhaal’ van Big Brother, de overheidsmoloch die de volkstelling zou misbruiken om ons in een staat van onmondigheid te houden.

Minder spectaculair, maar zeker niet kleiner. Het gaat nu om talloze Brothertjes, die allerlei persoonsgegevens uitwisselen omdat ze daar heel reële – veelal commerciële – belangen bij hebben. Persoonsgegevens die wij zelf ter beschikking hebben gesteld om dezelfde reden: dat we daar op onze beurt voordeel bij denken te hebben.

Privacy is net als veel andere verworvenheden in recordtijd een economisch goed geworden. Dat realiseren we ons niet steeds als we onze gegevens te grabbel gooien. Wel wordt het pijnlijk duidelijk in het omgekeerde geval: als falende functionarissen juist niks willen loslaten met een beroep op hun privacy of die van hun slachtoffers.

Laten we die functionarissen dus dankbaar zijn: ze drukken ons met de neus op de feiten.