Nooit meer een vaste baan is voor velen een vreselijk vooruitzicht

De flexibilisering van de arbeidsmarkt dringt door op universiteiten, bij de publieke omroep, de rijksoverheid. Vaste banen worden geruild voor ‘payrolling’ en ‘detachering’. Maar niet iedereen is een geschikte zzp’er, waarschuwt Niels Feitsma.

Het contract is de belangrijkste economische institutie, vond de Amerikaanse socioloog Talcott Parsons. De twee andere instituties, arbeid en eigendom, vloeiden volgens hem voort uit het contract. Natuurlijk zijn de bepalingen in een overeenkomst tussen werknemer en werkgever van grote betekenis voor de betrokkenen. En vanzelfsprekend is goede wetgeving rondom eigendom en arbeidsvoorwaarden van groot belang voor het functioneren van een maatschappij.

In Nederland verandert er veel op dit gebied. Vaste banen verdwijnen – er komt een flexibele arbeidsmarkt voor in de plaats. De maatschappelijke consequenties van deze verandering worden meestal sterk onderschat. Het is de hoogste tijd dat dat verandert.

Onlangs verklaarde minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Lodewijk Asscher in het tv-programma Buitenhof de problemen rondom de flexibilisering van de arbeidsmarkt aan te pakken. Toch, op een aantal kleine verbeteringen na, zal er in grote lijnen weinig veranderen. Het arbeidsmarktbeleid van de Europese Unie is gericht op meer flexibilisering om zo onze economieën meer concurrerend te maken. Bedrijven schreeuwen om (nog) meer flexibiliteit, lagere loonkosten, hogere productiviteitscijfers. De maatregelen die nu worden voorgesteld in het kader van de Wet Werk & Zekerheid zijn dan ook een druppel op een gloeiende plaat.

Een voorbeeld. Werkgevers moeten een medewerker straks na twee jaar een contract aanbieden in plaats van na drie jaar. Maar zoals Mathijs Bouman in het Financieel Dagblad al opmerkte, is dat geen verbetering. Wie slim is, houdt de medewerker natuurlijk net iets korter dan twee jaar in dienst. Dan komt hij straks namelijk alsnog makkelijk van zo’n arbeidskracht af. Bovendien blijft de mogelijkheid bestaan om mensen via een uitzendbureau aan te stellen of als zzp’er in te huren.

Het gebruik van nul-urencontracten wordt aan banden gelegd, maar dat geldt alleen voor de gezondheidszorg. En voor veel sectoren blijft het mogelijk om in de cao’s uitzonderingen te maken op allerlei maatregelen die nu worden genomen. Dat voorspelt niet veel goeds.

De ontwikkeling van een flexibele arbeidsmarkt is in de jaren tachtig begonnen. Het was toen crisis, net als nu, en de mogelijkheden om mensen in tijdelijk dienstverband aan te stellen werden verruimd. Oorspronkelijk was het de bedoeling om zo iets aan de hoge werkloosheid te doen. Wanneer mensen eenmaal tijdelijk aan de slag waren, dan zouden zij op den duur vanzelf doorstromen naar een vaste baan, zo was de gedachte.

Inmiddels weten wij – zo bleek kort geleden ook nog eens uit een onderzoek van SEO - dat veel mensen die vandaag de dag als flexwerker werkzaam zijn waarschijnlijk nooit meer een vaste baan vinden. En dat wordt door politici ook zonder pardon zo gezegd. Voormalig PvdA-leider Wouter Bos heeft zich bijvoorbeeld wel eens laten ontvallen dat mensen er gewoon aan zullen moeten wennen dat zij in de toekomst niet meer in vast dienstverband werkzaam zullen zijn. Dit is voor veel mensen bepaald geen aantrekkelijk vooruitzicht.

Er is inmiddels een hele wildgroei aan constructies: uitzendovereenkomsten, nul-urencontracten, payrolling, detachering, tijdelijke contracten, het inhuren van zzp’ers. Volgens TNO is momenteel zo’n dertig procent van de Nederlandse beroepsbevolking werkzaam als flexibele arbeidskracht. En waar het aanvankelijk vooral ging om banen aan de onderkant van de arbeidsmarkt, zien we momenteel dat er door uitzendbureaus zelfs geadverteerd wordt voor beroepen die ooit een zekere maatschappelijke status vertegenwoordigden: klinisch psycholoog, arts in de verslavingszorg, psychiater en architect.

De flexibilisering is inmiddels overal doorgedrongen: op onze universiteiten, bij de publieke omroep, bij de rijksoverheid. Onlangs werd bekend dat jonge onderwijzers in Nederland nog nauwelijks in vaste dienst worden genomen. Het hoofd arbeidsmarktinformatie van het UWV waarschuwde de sector bij die gelegenheid dat deze docenten wel eens kunnen afhaken wanneer zij na het zoveelste tijdelijke contract weer in de WW belanden.

Mensen worden tegenwoordig, zoals de Vlaamse hoogleraar Jan Blommaert naar voren bracht, letterlijk als menselijke grondstoffen - ofwel ‘human resources’ - ter beschikking gesteld aan de economie.

Volgens Blommaert leidt de totale flexibilisering van de arbeidsmarkt vroeg of laat tot een grote toename van het aantal integratievraagstukken. En dan bedoelt hij niet de integratie van allochtonen in onze samenleving, maar serieuze integratieproblemen van de autochtone bevolking zèlf.

Steeds meer gewone mensen zullen volgens Blommaert worden geconfronteerd met vragen als: ‘Houd ik in de nabije toekomst mijn baan? Kan ik mijn huur blijven betalen? Mijn ziektekostenverzekering? Wat gebeurt er met mij als ik mijn werk kwijtraak? Hoe vind ik een nieuwe baan als mijn contract afloopt?’ Kortom: ‘Hoe blijf ik als volwaardig burger deel uitmaken van deze maatschappij?’

Ondertussen doet men alsof er helemaal niets aan de hand is. Loopbaancoaches spreken vrolijk over het ‘Hollywood-model’. Net als in de Amerikaanse filmindustrie werkt iedereen dan min of meer op projectbasis, maakt carrière, werkt dan eens hier, dan eens daar. De baan voor het leven is achterhaald, zo verkondigen deze loopbaancoaches. Maar zij vergeten erbij te zeggen dat mensen in de uiterst competitieve Amerikaanse filmindustrie doorgaans een aantal jaren erg succesvol zijn, volop meedraaien, erbij horen, aanzien hebben, om vervolgens te worden afgedankt. Slechts weinigen blijven hun hele leven succesvol, en met de afvallers loopt het in de Verenigde Staten vaak helemaal niet goed af. Het kapitalisme draait om concurrentie en produceert derhalve per definitie winnaars én verliezers. De ontmanteling van de verzorgingsstaat en de overgang naar een flexibele arbeidsmarkt betekenen dan ook een stap in de richting van een Amerikaans sociaal model – met alle gevolgen van dien.

Onder invloed van de globalisering gaan samenlevingen wereldwijd meer op elkaar lijken. Verschillen tussen rijk en arm nemen toe, ook in de Scandinavische landen die lange tijd bekend stonden om hun goede sociale voorzieningen. In Nederland wordt momenteel vooral naar Duitsland gekeken, omdat Duitsland het economisch beter doet en de werkloosheid er lager is. Economen als Lans Bovenberg pleiten daarom voor hervormingen van de arbeidsmarkt naar Duits model.

In Duitsland bestaan er sinds de hervormingen van de sociale zekerheid onder voormalig bondskanselier Gerhard Schröder banen die slechts één euro per uur opleveren. Duitsland is in dit opzicht een lagelonenland geworden. En, net als in Amerika, kennen de Duitsers inmiddels het fenomeen van de ‘working poor’

Wij moeten onszelf niet voor de gek houden. SER-kroonlid Ferdinand Grapperhaus waarschuwde twee jaar geleden voor verborgen werkloosheid onder zzp’ers. Een groot aantal mensen leeft als gevolg van de flexibilisering van de arbeidsmarkt voortdurend in onzekerheid. Hun vaste lasten worden tegenwoordig geheel automatisch van hun bankrekening afgeschreven – maar hun banen zijn tijdelijk.

Contracten duren soms zo kort dat medewerkers niet voor WW in aanmerking komen wanneer een dienstverband eindigt. Doordat mensen vaak van werkgever wisselen, bouwen zij nauwelijks pensioen op. Een hypotheek is moeilijk te krijgen. En zzp’ers hebben helemaal nergens recht op. Als zij in de problemen komen, dan rest hen slechts de bijstand.

Voor veel mensen ligt het gevaar van sociale daling of proletarisering dan ook constant op de loer. En let wel, dat geldt tegenwoordig ook voor de middenklasse!

De flexibilisering van de arbeidsmarkt betekent voor de meeste werknemers een doodordinaire verzwakking van hun onderhandelingspositie. De risico’s die ze lopen (ziekte, arbeidsongeschiktheid, werkloosheid) worden in een flexibele arbeidsmarkt bijna volledig bij de werknemer gelegd.

Bovendien worden in veel organisaties vaste medewerkers en tijdelijke krachten tegen elkaar uitgespeeld. Daardoor is op de Nederlandse arbeidsmarkt een soort apartheid ontstaan: de vaste medewerker krijgt meer betaald en heeft recht op van alles en nog wat, de tijdelijke arbeidskracht heeft het nakijken.

Dat gaat ten koste van de solidariteit. Steeds vaker wordt in discussies dan ook gedaan alsof de werknemer die nog een ouderwetse vaste aanstelling heeft met doorbetaalde vakantiedagen en ontslagbescherming over allerlei privileges beschikt die hij eigenlijk helemaal niet hoort te hebben. Op die manier komen de oudere en de jongere generatie tegenover elkaar te staan. Dat is een kwalijke zaak.

In een werkelijk democratische samenleving heeft het economisch systeem zich aan te passen aan de mens. Het mag niet andersom zijn. De transformatie van de naoorlogse verzorgingsstaat – een samenleving die gekenmerkt werd door een overheid die volledige werkgelegenheid nastreefde – naar een model van een neoliberale vrije markteconomie met een flexibele, competitieve arbeidsmarkt is momenteel in volle gang.

Het gaat hier niet om zo maar wat veranderingen. Dit is een fundamentele kwestie. Het is zaak dat goed te beseffen.