Nobelellende

Als de herfst aanbreekt, begint ieder jaar opnieuw de Nobelprijsellende. Wie wel eens iets ontdekt heeft en geïnterviewd wordt, ontsnapt niet aan de onvermijdelijke vraag „Waarom? Waarom heb je hem nooit gekregen? Maak je nog een kansje?” En het standaardantwoord: „Natuurlijk niet, daar ben ik te dom voor.”

In mijn wetenschappelijke leven heb ik heel wat Nobelprijsellende gezien. Vooral natuurlijk van collegae die zo’n prijs wilden, maar hem niet kregen. Zulke mensen kunnen vrij onuitstaanbaar worden. Ze jagen hun medewerkers op om meer proeven te doen; ze trekken de resultaten van samenwerkingsprojecten naar zich toe; en ze lobbyen tot je er horendol van wordt.

Sommige onderzoekers wisselen zelfs van onderzoeksgebied, omdat ze denken dat het gras elders groener is en meer Nobelprijspotentie heeft. Andere onderzoekers verliezen alle kritische zin en publiceren theorieën, of zelfs resultaten, waarvan een kind kan zien dat ze nergens op slaan.

Neem Sol Spiegelman. Een briljant en charismatisch moleculair bioloog, die grote bijdragen aan het vak heeft geleverd. Hij grossierde echter ook in blunders en daar houden ze niet van in Stockholm. Iedereen wist dat Sol daarom nooit een Nobelprijs zou krijgen. Iedereen, behalve Sol. Daarom ging hij, vrij onvoorbereid, naar tumorvirussen zoeken in menselijke borstmelk en hij vond ze ook nog. Daar had hij wel een Nobelprijs voor kunnen krijgen als het waar was geweest, maar gelukkig voor onze baby’s bleken het experimentele artefacten, die tumorvirussen.

En dan de onderzoekers die de Nobelprijs net gemist hebben. Het meest luidruchtig zijn de promovendi en postdocs van onderzoekers die een Nobelprijs hebben gekregen. Zij hebben de proeven gedaan, maar gooiden toch onvoldoende hoge ogen bij de Nobelprijs Commissie om mee te delen met de prijs. Terecht, vind ik, maar ik ben geen postdoc meer.

Sommige van de gepasseerde promovendi en postdocs blijven hun leven lang napruttelen. Marianne Grunberg-Manago deed de cruciale proeven waarvoor Severo Ochoa de Nobelprijs heeft gekregen. Zij heeft vele malen verteld en beschreven hoe zij die proeven in haar eentje deed in de kerstvakantie, terwijl Ochoa elders was. Niet elegant, dat gemok.

Ook de toekenning van een Nobelprijs kan catastrofaal uitpakken. Oude mannen, die eens briljant waren, kunnen in de war raken en dan met het gezag van hun Nobelprijs vreselijke pseudo-wetenschap gaan aanprijzen: vitamine C tegen kanker (Linus Pauling) of homeopathie (Luc Montagnier). Het meest onschuldige is nog als de Nobelprijswinnaar besluit om een ‘very important person’ te worden en de wereld af te reizen met wazige voordrachten over filosofische onderwerpen. Zo iemand heeft die Nobelprijs door een gelukkig toeval gekregen. Zo’n geluksvogel wordt niet gemist in het serieuze onderzoek.

Want dat blijft een risico bij die Nobelprijzen. Ze worden uitgereikt voor baanbrekend onderzoek en dat kan een toevalstreffer zijn. Een goed voorbeeld is de Nobelprijs voor de polymerase kettingreactie, een labtrucje om een stukje DNA snel te vermeerderen. Het hedendaagse DNA-onderzoek is ondenkbaar zonder deze truc en het is onmiskenbaar een belangrijke vondst. Die vondst is echter gedaan door een industriële biochemicus, Kary Mullis, die daarvoor en daarna nooit iets nuttigs heeft ontdekt. Voordat hij de Nobelprijs had gekregen heb ik een keer samen met hem een Duitse prijs in ontvangst mogen nemen. Dat werd een pijnlijke vertoning, want Mullis bleek behoorlijk gestoord. Hij pochte niet alleen over zijn drugsgebruik en vrouwelijk partnerverbruik, maar hij vond ook dat we niet moesten zeuren over verlies van biodiversiteit omdat er altijd al soorten zijn uitgestorven. En dat in een Duitse persconferentie. De Duitsers nemen hun biomedische prijzen serieus en snoerden Mullis haastig de mond.

Ook het omgekeerde komt natuurlijk voor: serieuze onderzoekers die een Nobelprijs krijgen voor een vondst die achteraf niet blijkt te zijn wat ze dachten. Ook vervelend.

Ik heb als postdoc gewerkt bij Severo Ochoa, die zijn Nobelprijs kreeg voor de ontdekking van het enzym dat de boodschapper-RNA’s in onze cellen aanmaakt. Dat leek een belangrijke ontdekking, maar tegen de tijd dat hij naar Stockholm afreisde was al duidelijk dat dit enzym niet betrokken was bij de aanmaak van RNA, maar bij de afbraak.

Ochoa had al een aantal andere belangrijke wetenschappelijke vondsten gedaan, waar hij ook best een Nobelprijs voor had kunnen krijgen, maar de sof met dat RNA-enzym heeft hij zich erg aangetrokken. Tot op hoge leeftijd bleef hij fanatiek onderzoek doen om die Nobelprijs te rechtvaardigen.

Maar meestal gaat het goed. Dan komt de prijs terecht bij briljante onderzoekers voor een ontdekking die het resultaat is van jaren systematisch onderzoek en blijft de ontdekking een harde hoeksteen van ons kennisgebouw.

In september komt ook een ander type Nobelellende langs. Journalisten die bellen: „Wie krijgt hem dit jaar? Zijn er Nederlanders die een kans maken?” Ik denk het wel. Vroeger droeg ik buitenlanders voor, maar nu is er een enkele Nederlander in mijn vakgebied die aardig werk doet. Wie, dat blijft geheim.