Murmelende merelmannetjes

foto hollandse hoogte

De natuurlijke gang van zaken is ongeveer aldus. Halverwege januari, als Rotterdam zijn filmfestival houdt, beginnen de merelmannetjes te zingen, tenzij het op dat moment vriest dat het kraakt. Is het een paar weken later rondgekomen met een territorium en een vrouwtje dan worden er in maart eieren gelegd en uitgebroed. De jongen krijgen te eten en worden nog wat verder geholpen en in mei of zo kan een tweede cyclus beginnen. Al die tijd zingt het mannetje er op los, vanaf een dakpunt, een boomtop of een schoorsteen. En hij niet alleen, ook alle merelmannetjes in de buurt. Maar eind juli, begin augustus, net als de gierzwaluwen wegvliegen, vallen ze stil. De nachtegalen in de duinen houden het al twee weken eerder voor gezien.

Wie het ritme eenmaal kent heeft er vrede mee dat het in augustus zo stil is in de natuur en dat hij tot het filmfestival moet wachten voor de merel weer zingen wil. Roodborstjes en winterkoninkjes helpen hem de winter door.

Bird blunders

Zo iemand raakt in de war als hij eind september toch opeens een merel hoort. Niet hard, eerder zacht, niet overtuigend, eigenlijk helemaal niet overtuigend, maar toch onmiskenbaar merelachtig. Hij raakt in dezelfde gemoedstoestand als de bioscoopbezoeker die merkt dat de jongens van de film weer een verkeerde vogel op een verkeerde plaats of in een verkeerd seizoen hebben gemonteerd. Een grutto in de Ardennen, een zwarte mees in Waterland, zoiets. De nachtegaal in oktober. Biological illiteracy. Op internet zijn hele verzamelingen Hollywood Bird Blunders te vinden.

Wie een goede indruk van het geluid wil hebben moet nu even googlen met de zoektermen blackbird, subsong en london. Hij belandt in een opname van 2,5 minuut die vorig jaar november tegen zonsopkomst in Zuid-Londen werd gemaakt. Een geluidsopname van een jonge merel die het eerste zingen oefent. Halverwege komt een vliegtuig over, maar dat maakt het alleen maar echter. Ontroerend is het.

Het merelachtig gemurmel dat nu bij tijd en wijle in Amsterdamse stadstuintjes en andere groengebieden klinkt is subsong. Zelfs veel getrainde biologen blijken het niet te kennen, misschien verwarren ze het onbewust met halfzachte pogingen van spreeuwen om een merel na te doen of met ongeïnspireerd gezang van vermoeide oude merels. Je zou ook kunnen denken dat een merel met een mond vol lijster- en vlierbessen nu eenmaal niet voluit fluiten kan.

Maar het zijn de jonge merelmannetjes die het doen, het zijn de mannetjes die nog niet de geeloranje snavel hebben die zo kenmerkend is voor gezonde, geslachtsrijpe merelmannetjes. Het is deze week nog eens bevestigd door de Leidse gedragsbioloog Hans Slabbekoorn. Hij doet veel onderzoek aan vogelzang. Bijna alle vogels met ‘geleerde zang’, dat is zang die bij delen van voorbeeldvogels in de omgeving wordt overgenomen, hebben een fase van subsong. En eigenlijk hebben de niet-lerende soorten zoals de houtduif dat ook, want zelfs jonge houtduifjes moeten het – aangeboren – koeren oefenen. Subsong is te vergelijken met het brabbelen van een baby.

De in Europa best bestudeerde lerende zangvogels zijn vink, spreeuw, nachtegaal en merel, en zij alle hebben een heel duidelijke fase van subsong. Bij vinken duurt die maar een week of twee, bij nachtegalen en merels eerder anderhalve maand, maar omgevingsfactoren brengen grote variaties teweeg. Vreemd is dat de onvolwassen merelmannetjes al zo herkenbaar merelachtig brabbelen in de periode waarin ze het zonder voorbeeld moeten stellen. Want de volwassen mannetjes zwijgen immers. Ze hadden toon en melodie al opgepikt toen ze nog niet vocaal actief waren, zegt Slabbekoorn. Dat is in het laboratorium makkelijk experimenteel te verifiëren. Al dit onderzoek is volièreonderzoek.

Motieven en verfijningen

Tegen de tijd dat de periode van subsong overgaat in de plastische fase met zijn ‘plastic song’ zijn er al wel weer ‘tutors’ actief die de jonge vogels kunnen inspireren. En ook in de eindfase van ‘adult song’ of ‘full song’ worden nog voortdurend motieven en verfijningen van naburige vogels overgenomen. Het leidt tot een grote gelijkenis tussen de merelzang van vogels in dezelfde buurt.

Lezer! Dit begint een beetje een vroegevogelverhaaltje te worden, je zou wel eens willen weten wat daar zo benauwend aan is. Dat je de hoogst persoonlijke natuuremoties van die brave vaderlanders moet aanhoren? Die verplichte bewondering? Fop I. Brouwer en Gert Barthoff? Weer of geen weer & wat altijd weer boeit? Tegenwoordig ook de klimaatangst?

Toch nog even terug naar de jonge merels in de tuin. Heeft die vreemde subsong ook enig effect op volwassen zangvogels? Wat gaat er in ze om als ze het gebrabbel horen? Hans Slabbekoorn heeft het nagekeken. Vorig jaar is er in de VS een playback-studie gedaan aan de zang van heel jonge vogels. Het bleek dat die minder agressieve reacties opwekt dan de zang van volwassen vogels, ongeacht het seizoen. Voor de typische pluimage van juveniele vogels geldt hetzelfde.

Wie toch besluit vanaf januari wat meer op de zang van merels te letten, hoe die verandert in de loop van het voorjaar en hoe verschillende merels in wijde omgeving vaak dezelfde motiefjes gebruiken, ook: het prachtige duetzingen, die zou ook eens kunnen letten op het verschil tussen stad en land. Urban song and rural song, zoals dat heet in de literatuur. Stadsmerels zingen méér, harder en hoger dan bosmerels. Om boven het stadslawaai uit te komen, of omdat ze last hebben van stadsstress. Dat wordt nog uitgezocht.