Italiaanse renners gaan niet dood

In Toscane zijn ze hun wielerhelden Gino Bartali en Franco Ballerini niet vergeten. De tifosi eren hun doden.

Gino Bartali in 1948, het jaar van zijn tweede Tourzege, op de Tourmalet. Hij redde een paar jaar eerder in de oorlog honderden joden en tientallen Britse militairen.

Het pronkstuk van de tentoonstelling is de fiets waarmee Franco Ballerini in 2001 zijn laatste wedstrijd als beroepsrenner reed – uiteraard Parijs-Roubaix, de wedstrijd die het beste in hem losmaakte, maar die hem ook tot waanzin kon drijven. Noord-Franse modder bedekt nog altijd het frame en de wielen.

Het rijwiel staat in een lokaal boven Bar Ariston in Ballerini’s woonplaats Casalguidi. Zijn zwager Luca Baldelli ontsluit een deur achter de bar en gaat voor op een brandtrap die leidt naar de tentoonstellingsruimte. Ballerini – bijgenaamd Ballero, de danser – is niet meer. Hij overleed in 2010 op 45-jarige leeftijd aan de gevolgen van een crash tijdens een autorally.

Maar Italiaanse wielrenners sterven niet. Hun fysieke verschijning mag dan het aardse leven hebben verlaten, hun prestaties blijven prominent aanwezig in de herinnering. Dat geldt voor wereldtoppers als Fausto Coppi en Gino Bartali, maar ook het graf van een verschoppeling als Marco Pantani, die na een overdosis cocaïne de dood vond in een badkuip, is een tombe waar wielerfans uit alle windstreken de laatste eer bewijzen aan hun sportheld.

Zondag voert het parcours van de WK-wegwedstrijd van de mannen langs het kerkhof waar Ballerini begraven ligt. Het was Ballerini die kort voor zijn dood had geopperd de WK wielrennen naar zijn geboortestreek Toscane te halen. De regio die talloze wielerkampioenen voortbracht – denk aan klassiekerspecialisten Paolo Bettini, Michele Bartoli en Andrea Tafi, sprinter Mario Cipollini en ronderenner Gino Bartali – had nooit eerder het WK georganiseerd. Ook al maakte Ballerini het niet meer mee, de internationale wielerbond UCI besloot zijn wens te honoreren.

Misschien wel het bekendste moment uit Ballerini’s carrière was de finale van Parijs-Roubaix in 1993. Samen met de toen 38-jarige Fransman Gilbert Duclos-Lassalle koerste Ballerini af op de wielerbaan in Roubaix. Hij voelde zich vrijwel zeker van de overwinning, maar liet zich op de streep toch verrassen. Ontroostbaar zei hij de dag te vervloeken dat hij met fietsen was begonnen. Maar hij kwam op zijn woorden terug en schreef in 1995 en 1998 alsnog de kasseienklassieker op zijn naam.

Ballerini is ervoor verantwoordelijk dat iedereen in Casalguidi de naam ‘Roubaix’ kent, zegt Baldelli. „We stonden altijd met de fanclub bij de finish, met een groot spandoek.” In de tentoonstellingsruimte ligt het desbetreffende doek op de grond voor de bemodderde fiets. Ernaast hangen wielertricots van Mapei, de ploeg die Ballerini diende tijdens zijn successen.

Na zijn carrière op de weg werd Ballerini een van de meest gelauwerde bondscoaches uit de geschiedenis van het Italiaanse wielrennen. Zo veroverde hij als coach viermaal de wereldtitel en won Paolo Bettini in 2004 onder zijn leiding de olympische wegrace in Athene. In het lokaal boven Bar Ariston hangen enkele van de truien die Ballerini won als coach. Alessandro Ballan, de wereldkampioen van 2008, heeft zijn tricot een opschrift meegegeven: A Franco, con affetto e gratitudine. Aan Franco, met genegenheid en dankbaarheid.

De levende herinnering geldt niet alleen de pas gestorvenen. In Ponte a Ema, een dorpje vlak onder Florence, is zes jaar geleden het Museo Ciclismo Gino Bartali verrezen, op enkele tientallen meters van het huis waar hij geboren werd. Ballerini mag dan een geliefd renner zijn geweest, zijn staat van dienst kan niet tippen aan die van Bartali (1914-2000). Hij won onder meer twee keer de Tour de France en twee keer de Giro d’Italia. De vrome katholiek Bartali – bijnaam: ‘De pedalen van God’ – vocht in het naoorlogse Italië een hevige strijd uit met Fausto Coppi, die in katholieke kringen werd verafschuwd vanwege zijn buitenechtelijke affaire met de ‘Witte Dame’ Giulia Locatelli.

Het Bartali-museum wordt beheerd door Fabio Casamonti. Met enige trots toont hij een bericht uit een vergeelde editie van La Gazzetta dello Sport waaruit blijkt dat zijn vader Oscar de buurman en mecanicien van Bartali was. ‘Gino de Vrome’, zoals hij in Frankrijk werd genoemd vanwege zijn veelvuldige bezoek aan bedevaartsoord Lourdes, was volgens Casamonti junior een uniek talent. „Hij won meteen de eerste koers waaraan hij deelnam, als amateur: in 1931, toen hij zeventien was.” Dat was op het circuit van Antella, een dorpje op drie kilometer van zijn geboorteplaats Ponte a Ema.

Op een beroemde foto, genomen op de flanken van de Galibier tijdens de Tour de France van 1952, geeft Bartali een fles water aan Coppi, die voor hem rijdt. Of is het andersom? Beide versies van het verhaal doen tot op de dag van vandaag de ronde. Casamonti weet het zeker: „Het was Bartali die de fles aan Coppi gaf.” De foto van twee rivalen die elkaar tijdens een felle strijd iets te drinken gunnen, groeit uit tot een toonbeeld van sportiviteit.

Maar niet alleen in sportief opzicht is Bartali een groot man. Tijdens de Tweede Wereldoorlog redt hij het leven van honderden joden en tientallen Britse militairen. Bij trainingsritten tussen Florence en Assisi verbergt hij valse identiteitspapieren in het frame van zijn racefiets. Hij wordt opgepakt en verhoord door het fascistische regime, maar ook weer vrijgelaten. Wegens gebrek aan bewijs, maar ook omdat hij te beroemd is om vast gehouden te worden.

Zelfs indirect redt Bartali mensen van een wisse dood. In het Zuid-Duitse concentratiekamp Dachau praat Alfredo Davitti, gevangen genomen op het eiland Elba, met enkele lotgenoten over de Toscaanse coureur. Een Duitse militair hoort hun gesprek en Davitti toont hem een fotootje van Bartali, dat hij in zijn portemonnee draagt. Hierop doet de Duitser hem een voorstel: in ruil voor het fotootje zal hij regelen dat Davitti en twintig medegevangenen Dachau mogen verlaten. Enkele dagen later worden Davitti en zijn lotgenoten weggevoerd uit Dachau en tewerkgesteld op een nabijgelegen boerderij, wat de facto hun redding betekent.

Na de oorlog sprak Bartali zelden over zijn verzetsdaden. Ze waren hem ingegeven door zijn geweten, zei hij, en anderen zouden veel meer risico hebben genomen en dus meer lof verdienen. Toch besloot het Israëlische oorlogsherdenkingsmuseum Yad Vashem om Bartali te eren voor zijn daden. Familieleden namen de onderscheiding vorige week in ontvangst.

Volgens Casamonti heeft Bartali zijn goedhartigheid van Elia Della Costa, een kardinaal met wie hij goed bevriend was en die ook zijn huwelijk bezegelde. „Della Costa predikte de vrede, zorgde voor de armen en drukte jonge priesters op het hart onbaatzuchtig en moedig te zijn. Die lessen heeft Bartali van hem meegekregen.”

Wie was nou de betere renner, Bartali of toch zijn rivaal Coppi? Casamonti moet eerlijk toegeven dat Coppi een „completere” renner was dan de vijf jaar oudere Bartali. „Maar als Bartali het op zijn heupen kreeg, kon hij Coppi soms zo uit het wiel rijden. En wat was er wel niet gebeurd als de oorlog zijn carrière niet had onderbroken? Hij won de Tour de France in 1938, toen hij 24 was, en nog eens in 1948, op zijn 34ste. Dat blijft voor mij ongelooflijk.”

Tot op heden wonnen drie Italianen de regenboogtrui in eigen land: Alfredo Binda in 1932 in Rome, Vittorio Adorni in 1968 in Imola en Ballan in 2008 in Varese. De tifosi hopen vurig op een overwinning van Vicenzo Nibali, die eerder deze maand in de Ronde van Spanje nog werd verslagen door de 41-jarige Amerikaan Chris Horner. Maar of Nibali of een van zijn landgenoten wereldkampioen wordt of niet – na hun dood zullen ze voortleven, in het land dat niet vergeet.