In Gaza zijn het de slimmen die drinken

Ik geloofde het niet. Nergens in Gaza wilde feesten waar mannen en vrouwen drinken en dansen? Omdat Hamas zegt dat zo uitgaan haram is, verboden volgens de islam? Kom nou. Zet een hek neer en de mens klimt eroverheen. Al is Gaza een soort dictatuur en de samenleving oerconservatief.

Hadden mijn vrienden me in het oude Libië van Gaddafi niet zelfgestookte arak laten proeven, en huisgebrouwen bier? Wie kent niet de verhalen over het uitbundige nachtleven in het repressieve Iran? En dan laten die Palestijnen in Gaza zich beteugelen door de regering die ze zo verachten?

Goed, zei vriend S., hij zou me wat laten zien. Een vriendin van hem verjaarde, op klaarlichte dag, in een strandtent even buiten Gaza-stad. En binnen, achter lichtdichte gordijnen, dansten jongens en meisjes, op westerse popmuziek. Don’t you know, pump it up. You’ve got to pump it up.

Jazeker, het feestpubliek was tegen de regels in gemengd en de vrouwen droegen blote jurken. Maar ze dronken cola. Limonade. En water.

Oké, zei vriend F. aan het strand bij vluchtelingenkamp Jabaliya. Hij wilde wel hasjiesj met me roken. Ik kon xtc van hem krijgen. En een strip Tramadol: de morfinepijnstiller waaraan veel Gazanen verslaafd zijn. F., zei hij, gebruikte het voor seks. Hij hield het wel een uur vol op Tramadol.

Khalas, zei ik. Genoeg.

Een dure koffietent in de hoofdstraat van Gaza-stad. Knappe juffers in spijkerbroek, jongemannen met snelle computertjes. De ober hier, wist ik, had bediend in een bar met buikdanseressen. Dat was voor de machtsgreep van Hamas. Toen er nog bars en buikdanseressen waren. Ik bestelde, op gedempte toon, een biertje.

Ssst, siste de ober meteen. „Ik ben moslim, ik ga naar de hel.” Hij grinnikte. „Maar eerst moet ik langs de gevangenis!” Hij nam die hel niet zo serieus, fluisterde hij toen. Maar die cel wel.

Op alcohol drinken of schenkenstaat geen celstraf. Maar Hamas zal zeggen dat je de orde verstoorde of een gevaar was voor je omgeving, aldus de ober. „Ze zullen roddels verspreiden, je reputatie vernietigen.” Het ergst: „Ze gaan bij je moeder langs.”

Ik belde M. op. Bingo. Ik had het kunnen weten. Hij werkt voor een internationale hulporganisatie. Hij kan met diplomatieke nummerplaten tot aan de grens met Israël oprijden. Zijn auto mag Hamas niet controleren. En hij moet veel buitenlanders ophalen. Zij brengen whisky voor hem mee.

Ik had het kunnen zien, zei M., aan zijn kleren. Spijkerbroek, spijkerbloes. „Liberaal”, zo noemt hij zijn kledingstijl. En aan zijn kin: goed geschoren. Zo herkennen drinkebroers elkaar schijnbaar.

Maar schijn bedriegt, waarschuwde M.. „Sommige mensen willen liberaal zijn maar vanbinnen zijn ze conservatief. Je moet vooral kijken of iemand intelligent uit zijn ogen kijkt.” Als hij dom kijkt, is het foute boel. Anders dan in Europa. „Daar drinken de dommen, in Gaza zijn het de slimmen.”

Cijfers over drankgebruik in Gaza zijn er niet. Naar schatting drinken slechts enkele duizenden af en toe een borrel. Gesmokkeld óf zelfgestookt. Dat drinkt M. liever niet. Vorig jaar telde Gaza een dode en een blinde door huisgemaakte drank. Dat stond niet in de krant, maar dat weet iedereen. Want de mensen praten wel hardop over andermans drankgebruik. Drinkers zijn het bangst voor klikkers. „Buren die je verraden in de hoop krediet te krijgen van God.”

Gaza’s drankprobleem is, volgens M., vooral sociaal. Laatst zat hij met vrienden te drinken, toen een goede bekende belde. M.: „Dat is moeilijk, want wij zijn heel gastvrij.” Dus? „Dan lieg ik dat ik ga slapen.” Want, verklaarde M., „we hadden net genoeg drank om met zijn drieën een beetje aangeschoten te raken. Niet genoeg voor een roes voor vier.”