Gevoel in een briefje van tien

Monique Snoeijen schrijft de soundtrack van haar leven. Deze week: de 45-jarige wees.

Ben ik een wees? De definitie van Van Dale luidt: „een kind dat zijn vader en moeder heeft verloren”. En aangezien een moeder – ongeacht de leeftijd van het kind – altijd een moeder blijft, en een vader altijd een vader, blijft een kind altijd een kind en ben ik dus feitelijk een wees.

Ik hoor u denken: mens, gedraag je! Ben jij soms een elfjarig meisje met rode krullen en een gouden keeltje dat in een weeshuis wordt geterroriseerd door een gemene dronken lor die ook nog eens het hondje dat je vond naar de worstenfabriek wil brengen? Verloor je als peuter je ouders bij een auto-ongeluk? Nee? Nou dan. Wees vrouw, geen weesmeisje.

Maar soms voelt het zo verweesd. Omdat er nu niemand meer over de vloer komt die naar mijn kinderen kijkt zoals alleen grootouders dat kunnen. Verliefd. Ervan overtuigd dat er op de hele wereld geen grappigere, slimmere en eigenwijzere kinderen bestaan. Klagen over wanprestaties, karakterfouten, slap gedrag? Geen woord.

Mijn vader was een meester in alles vertellen door niets te zeggen. Zijn gevoel stopte hij het liefst in een briefje van tien dat hij, bij het weggaan, onhandig in een meisjeshand frommelde. Mijn moeder belde me elk jaar op aan de vooravond van een kinderverjaardag. „En? Heb je al weeën?” In gedachten was ze dan, net als ik, weer bij de geboorte van haar kleinkind.

Op de ochtend van mijn eigen verjaardag lag ik, vorige week, in bed mijn speech voor die avond te verzinnen. Ik zag mezelf al op mijn glas tikken om een even hilarische als ontroerende toespraak te gaan houden. Ik zou mijn vriendinnen een voor een langs gaan en met een paar treffende zinnen de kern van onze vriendschap raken. Geraffineerd zou ik toewerken naar de apotheose. Het slotakkoord zou zijn voor de drie belangrijkste vrouwen in mijn leven: mijn twee dochters en mijn allerliefste vriendin. We zouden volschieten, elkaar snikkend in de armen vallen en lachend het snot uit ons gezicht vegen. Zo ongeveer zou het gaan.

Het liep anders. De hele avond al was mijn glas tot aan de rand toe gevuld geweest. Dat kwam doordat mijn dochters de bediening deden. Dus toen na de overhandiging van het cadeau een natuurlijk moment voor mijn speech was aangebroken, dacht ik opeens aan wat ik leerde van mijn goede vriend VBADHV (Voorheen Bekend Als De Huidige Verkering): dat je soms ook iets kunt laten. Weet je wat, dacht ik, ik doe eens lekker ontspannen, ik ga gewoon niks zeggen, dat kan ook.

Had ik maar niks gezegd. In plaats daarvan ging ik een beetje iets zeggen. Ik probeerde een paar gloedvolle zinnen uit mijn bedspeech op te diepen, maar er kwamen alleen stoffige brokstukken zonder enige samenhang of betekenis naar boven. Volstrekt willekeurig richtte ik het woord tot een paar vriendinnen, verzandde vervolgens in gemompel en zocht snel de weg terug naar de tafelgesprekken van voor de onderbreking. Over de drie belangrijkste vrouwen in mijn leven had ik niets gezegd. Geen woord.

Na de koffie zag ik door de kier van de keukendeur een vertrouwd tafereel. Mijn dochter trok haar ‘o-dat-hoeft-echt-niet-hoor’-gezicht, de blik die ze zo vaak op mijn vader heeft kunnen oefenen. Mijn vriendin stond met haar jas aan. Ze had net een briefje van tien in een meisjeshand gefrommeld.